Hertog Maximilian in Beieren, Elisabeth’s vader

Hertog Max, Elisabeth's vader
Hertog Max
De hertog was zo vaak op reis, dat zelfs zijn eigen portier hem niet het huis in wilde laten. De reislustige Elisabeth had diezelfde lust, maar ook de melancholiek niet van een vreemde, net zoals al haar broers en zussen.

De mogelijkheden en opgaven van de niet regerende hertog Wilhelm in Beieren werden door diens huisrechtelijke functie en de daaruit voortvloeiende plichten des te meer bepaald, als deze deze met energie en grote verantwoordelijkheidsbewustzijn waarneemde. Zijn zoon Pius August was in een lastig familie-noodlot geboren geworden, dat hem door de verandering van woonplaats in zeer verschillende omgevingen en de zelfmoord van zijn aangetrouwde zwager hem overnerveus maakte. Max won ondanks de aard van zijn vader en ondanks een gevreesde overstrenge opvoeder, vroeg een verblijde gevoel voor de natuur der milieu van Schloß Banz. Op de leeftijd van negen jaar werd hij door zijn peetoom, de koning Max, in het “Koninklijke Opvoedingsinstituut voor Studerende” naar München gehaald, dat in 1574 als Seminarium Gregorianum des Jesuiten door Hertog Albrecht V opgericht was en in 1804 door Benediktinern werd overgenomen. Zijn leider van 1810 tot 1824, Benedikt von Holland OSB, maakte voor Max de zeven jaar in het internaat tot een bepaald vriendschappelijk bevorderende ontwikkeling. Max leerde niet alleen de oude talen, Frans en Italiaans, maar ook muziek en tekenen en orienteerde zich in de instituutbibliotheek met hun latijnse, griekse en duitse klassiekers, kaarten en tekeningen. In de verzameling van kopermunten met beelden van beroemde mannen won hij een inzicht in een wijde wereld. Zijn vreugde aan de natuur werd door dagelijkse gemeenschappelijke wandelingen in de tuinen van het instituut voor de stad en door uitvluchten beleeft. Bij feestdagen omstreeks de geboortedagen en naamdagen van het koningspaar werden in het instituut theaterstukken opgevoerd. Het huistheater werd op 28 januari 1822, de naamdag van de evangelische koningin Karoline, geopend. Op vastenavond 1823 speelde Max een scene uit een stuk zo goed, dat het koningspaar verzocht het stuk te herhalen. Max ontsloot zich in deze wereld alle kringen van de maatschappij.

Zijn uittredingsgetuigenis, dat een latere kerkenrechtelijke van de universiteit, Permaneder, formuleerde, sprak reeds van de goede eigenschappen van zijn geest en zijn hart, zijn rijpe oordeling, zijn levendige fantasie, zijn bescheiden vrijmoedigheid, maar ook van zijn rangschikking in de gemeenschap van de school. Max kreeg nu van de kapitein van de Gardegrenadierregiment Baron van Freyberg een hofmeester en bezocht de universiteit nog in Landshut, dan in München. De 17-jarige hoorde voorlezingen over verhalen, ook over het vaderlandse, over kerkverhalen en land- en volkenkunde. Hij bezocht ook voorlezingen over het duitse bondsrecht en over natuurkunde. Zijn interesse waren niet alleen veelzijdig, hij leerde zelf studies uit te voeren. Op vaste avonden in de week verzamelde hij geestelijk hoogstaande beierse landgenoten en sprak met hen over wetenschappelijke en algemene vragen van die tijd, maar ook over dichten en muziek. Hij richte zich een bibliotheek in, die aan het eind van zijn leven 27000 boeken omvatte. Al op 22 jarige leeftijd stichte hij in 1830 voor vorderingen van de kunst en literatuur gouden en zilveren medaillen, in 1835 een grote gouden medaille, waarmee Schmeller voor zijn “beierse dialecten”(1821), Nagler voor zijn kunstenaarslexicon (1835), later ook de dichter Franz von Kobell, Ludwig Steub, Karl Stieler, Hermann Schmid en de jeugdschrijfster Isabella Braun onderscheiden werden.

De grootvader en de koning beslisten dat Max met de leeftijdsgenote, koningsdochter Ludovika Wilhelmine, zou trouwen. Drie jaar na de dood van koning Max werden beide in de Schloßkirch in Tegernsee getrouwd, waar Max zo vaak zijn koninklijke peter bezocht had. Het huwelijk werd in 1828 niet alleen door kranten en illustraties gevierd. Miesbacher muzikanten traden op, knullen en meisjes stonden in vaderlandse feestgewaden in pergola’s. Na een tocht met 60 schepen over de Tegernsee werd de huwelijksreis door het gehele koninkrijk Beieren begonnen. Hoewel nog de oude koning in 1824 Max de Herzog-Max-Burg als woning aangewezen had, bouwde de jonge Max tussen 1828 en 1830 naar de plannen van Klenze in de door Ludwig I begonnen Ludwigstraße het Hertog-Max-Palais, dat Hitler in 1938 liet afbreken. De danszaal richte Schwanthaler met een bacchusfries in, in de feestzaal Kaulbauch met een psyche-cyclus. In de binnenplaats werd onder deelname van de hertog zelf het kunstrijden getoont en een circus gebouwd. Met zijn jonge familie bezocht Max de Bogenhauser tuinen, heden het Herzogpark genoemd. Die van de moeder geerfde franse bezittingen werden door hem verkocht en verwierf daarvoor de kastelen en landereien van Possenhofen en Garatshausen.

Nog had koning Max de 16-jarige tot luitenant in Chevauxlegerregiment “koning” gemaakt, later tot Oberstinhaber van de 9e Linieninfanterieregement. De 18-jarige werd op grond van zijn geboorte in 1827 lid van de kamer van de rijksraad en nam tot in hoge leeftijd regelmatig aan zijn zittingen deel. Zijn zwager Ludwig I benoemde hem in 1832 tot commandant van de burgerwacht van de Isargewesten en daarmee tot bevelhebber van ook de landmacht daar en tot comandant van de Gebirchsschützen.
Al in 1828 begon Max novelles te schrijven. Verscheidene verschenen onder de pseudoniem Phantasus sinds 1831 in druk, in 1833 tot uitvoering op de buhne Lucrezia Borgia. In de 1826 opgerichte gezelschap “Altengland” ontwikkelde hij reeds voor zijn officiële intrede in 1845 gezelligheid en humor. Nog in 1827 begon hij met reisen naar Engeland en Frankrijk, in 1831 ontving paus Gregor XVI het jonge hertogspaar. De beide jonge Wittelsbachers bewonderden ook de kunstschatten van Rome en namen aan het carnaval deel. In 1832 ging het naar Napel en Sicilie.

De 80-jarige grootvader droeg Max in 1834 zijn eigen ,tot nu toe, positie als chef der linie der hertogen in Beieren over en liet zich van hem een pensioen overschrijven. De koninklijke zwager benoemde hem in 1837 tot generaalmajoor. In januari van dat jaar stierf zijn grootvader, en in augustus zijn vader. Max stond nu alleen met zijn gestichte familie. Hij kocht in 1838/39 het oude Wittelsbachse klooster Kühbach en het naburige Schloß Unterwittelsbach, terwijl Ludwig I eveneens in 1838 het Benediktinerklooster Scheyern, het Wittelsbachse huisklooster uit de 12e eeuw, herstelde. Op 20 januari 1838 reisde Max na grondige voorbereidingen naar Venetië, Korfu, Patras, Athene en van daaruit naar Alexandria en Cairo in het Heilige Land. Het bezoek in Jerusalem, Bethlehem en Nazareth bewogen hem veel. Naast een officier en een arts begeleide hem de kunstschilder Heinrich von Mayr en de citherspelende kamervirtuoos Johann Petzmayer, wiens leerling en vriend Max een leven lang werd. Reeds in 1839 publiceerde de hertog onder zijn eigen naam een boek “Wanderungen nach dem Orient”.

Net als aartshertog Johann (1782-1859) en naar zijn voorbeeld bevorderde Max steeds meer het volkslied. Niet was hij zijn voorbeeld van een niet standvastige liefdeshuwelijk gevolgd, maar belastte zijn eigen hem opgelegde huwelijk door gebrek aan trouw. Van grotere betekenis was zijn rechtstreekse verbondenheit met alle kringen van het volk. Hij zong en verzamelde volksmuziek en volksmelodiën, hij componeerde stukken in een met de volksmuziek verwandte melodie en verzorgde volksmuziek en zeden en gewoonten in Alpenvorland, maar ook ergens anders in Beieren, ongeveer in Oberfranken. In 1855 bezocht hij in Würzburg een opvoering van het “Tannhäuser”, maar waardeerde “Lohengrin” nog hoger. Hij sloot vriendschap met de Zwabische zanger Justinus Kerner, die de mondtrom bespeelde, wanneer hij in gezellige kring bij de hertog in München ontmoette of wanneer de hertog hem bezocht. Max bevriende zich van alle met Franz von Kobell, de uit de Pfalzer familie stammende, die oudbeierse en die Pfalzer dialect overheersende dichter, verzamelaar en zanger, jager en wetenschapper. Sinds 1843 verzamelde Max als “koning Artus” elke week in München een tafelronde van 14 ridders, in die de “kanselier” graaf Franz von Pocci – later de ceremoniemeester en hofmuziekhoofd van koning Max II -, de “meesterzanger” Franz von Kobell waren.

Ludwig I achtte de persoonlijkheid en het doen van de hertog zo hoog, dat hij de leden van zijn linie in 1845 het predikaat Koninklijke hoogheid verleende. Max was geenzins zonder interresse aan politiek en verhalen. Dat toonde zich immer meer, toen hij in zijn novellen en geschiedkundige uiteenzettingen die de tijd der reformatie of de revolutie weer opneemde. Op 2 maart 1848 schreef hij aan de minister van binnenlandse zaken vorst Ludwig von Öttingen-Wallerstein verbittert over de uitroeping van de republiek in Parijs en boot zich aan de nog regerende koning Ludwig aan, die hem tot beschikking staande troepen en ook de Gebirgsschützen tegen alle binnen en buitenlandse vijanden in te zetten. Op 9 maart stelde hij zich aan de koning in München persoonlijk tot beschikking. Met koning Max II werkte hij aan dezelfde ideeën van de verzorging van de beierse zeden en gewoonten en het volkslied. In 1858, als de koning zijn beroemde voetreis in het Alpenvorland maakte, bracht Max zijn oberbeierse volkslieden opnieuw uit. Hij droeg graag die beierse dracht en voerde de stopelhoed – dat “Hertog-Max-Hütl” weer in.

Zijn vrouw, die de zus van de moeder van de sinds 1848 in Wenen regerende keizer Franz Joseph was, begon voor de puberende kinderen een van het nageslacht vaak overschatte, van Max op zijn minst gedulde huwelijkspolitiek. Het huwelijk van zijn dochter Elisabeth met keizer Franz Joseph was voorlopig een beslissing van de liefde van de beide, de verloving van zijn dochter met Ludwig II, een hooggestegen kindervriendschap. Zijn eigen verbondenheid met het volk was een kracht, die door zijn buitenlandse terughoudendheid in de politiek bijzonder ontwikkeld kon worden. Dat toonde zich nog bij zijn eigen gouden en diamanten huwelijk. De kring om hem werd kleiner, vaak was de poeziegezinde historicus Hyazinth Holland, de neef van zijn geeerde leraar en vriend van Benedikt Holland, de enige gast. Als in 1880 het jaar van de 700e wederkering van de belening van de Wittelsbacher met Beieren gevierd werd, werd dat ook tegenover hem sterk tot uitdrukking gebracht. Een vreugde bleef hij voor hen, dat in 1839 geboren zoon Karl Theodor niet alleen een buitengewone oogarts werd, maar ook een waardige opvolger als chef der linie van de hertogen in Beieren beloofde.

Bron: Hans en Marga Rall, Die Wittelsbacher in Lebensbildern.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *