Vermoord! De moord op keizerin Elisabeth

Vermoord! De moord op keizerin Elisabeth door Luigi Lucheni.
De moordaanslag op de keizerin Elisabeth op 10 september 1898.
De Italiaanse anarchist Luigi Lucheni stak Elisabeth met een driekantige vijl.

Op de 10de september 1898 wandelt de 60-jarige keizerin van Oostenrijk-Hongarije, Elisabeth, samen met de Hongaarse gravin Irma Szaray, die haar de laatste acht jaar het vaakst op wandelingen vergezelde, naar de ligplaats waar een lijnschip haar van Geneve naar Montreux zal varen. Daar bevindt zich al de rest van het gezelschap waaree ze vier weken heeft gelogeerd in het hotel Beau Rivage. In de jaren tachtig heeft ze al eens zorgelijk geschreven over het asielrecht dat de Zwitsers aan anarchisten verschaffen:

Schweizer, Ihr Gebirg is herrlich
ihre Uhren gehen gut;
doch fur ins ist hochst gefahrlich
ihre Koningsmorderbrut

Men weet in 1898 dat ze juist droomt van een plotselinge, geruisloze dood die ook mag komen in de vorm van het snelste geweld. Elisabeth is ongetwijfeld de meest melancholische vorstin van dat moment. De laatste momenten van haar leven vindt men terug in dat kleine, in zorgvuldig hagiografische stijl geschreven herinneringsboekje van de gravin Sztaray dat in 1909 in Wenen verscheen.

‘Majesteit! Het signaal van het schip!’ Onwillekeurig telde ik de klokslagen die op het signaal volgden. Een … twee…
Op dat ogenblik zie ik verderop iemand lopen. Hij springt achter een boom langs de weg te voorschijn alsof hij door iemand is opgejaagd. Hij staat bij het ijzeren hekwerk voor de aankomststeiger. Hij loopt naar een boom en nadert nu, kris kras over de stoep scherend. ‘Dat iemand ons nu nog op de hielen zit ook!’ denk ik onwillekeurig als ik de man met mijn blikken volg als hij vanaf het hekwerk op ons af komt stormen. Ik doe een stap naar voren om de keizerin dekking te geven. De man lijkt te struikelen maar dringt zich naar voren en treft in een oogwenk met zijn vuist de keizerin.
Alsof de bliksem haar had getroffen, zonk de keizerin geluidloos ineen. Ik geraakte buiten zinnen en boog me met een vertwijfelde schreeuw over haar heen.
Vader in de hemel! Als ik eens voor u sta om rekenschap te geven van mijn ziel dan zult u aan dit ontzettende moment moeten terugdenken. Ik voelde me duizend doden sterven. Uit haar verlamde lippen perste zich de sidderende ziel om verlossing en barmhartigheid.
Toen leek het even alsof zich voor haar toch weer de hemel opende.
De keizrin sloeg de ogen open en keek om zich heen. Haar blikken verrieden dat ze bij volle bewustzijn was. Toen verhief zij zich, gesteund door mij, langzaam van de grond. Een koetsier hielp me. Moge de hemel hem daarvoor zegenen!

Het leek wel een wonder toen ze daar geheel opgericht weer stond. Haar ogen glansden, het gezicht was rood aangelopen, de heerlijke vlechten van het haar die door de val waren losgeraakt hingen als een losse krans om haar hoofd. Ze was onuitsprekelijk mooi en majesteitelijk. Met verstikte stem waarin de vreugde de schrik overwon vroeg ik: ‘Wat voelt u majesteit? Is er iets met u gebeurd?’
‘Neen,’ antwoordde zij lachend, er is niets met mij gebeurd.’ Dat zich die door God vervloegen hand een dolk bevonden had, konden op dat moment nog de keizerin noch ikzelf vermoeden. Van alle kanten waren er mensen toe komen toestromen, die in de war waren van de bruutheid die zich had voltrokken. Vol deelneming vroegen ze aan de keizerin of zij zich had bezeerd. En de keizerin dankte iedereen in de eigen taal. Duits, Frans, Engels, ze herhaalde niets te mankeren en stond de koetsier in hartelijke medewerking toe haar bestofte reiskleed af te borstelen.

Intussen was ook de portier van Beau Rivage ter plekke geariveerd. Hij had vanuit de verte de vreselijke scene gadegeslagen en verzocht met klem in het hotel terug te keren.
‘Waarom?’ vroeg de keizerin terwijl ze haar kapsel weer herstelde, ‘Er is niets gebeurd, laten we snel het schip opgaan.’ Ze zette hoewel de ordening van het haar niet was voltooid, de hoed op, pakte haar zonnescherm, groette vriendelijk het publiek zodat wij verder konden.
‘Zeg mij eens, wat wilde die kerel nu eigenlijk?’ vroeg zij voortlopend.
‘Welke kerel majesteit, de portier van het hotel?’
‘Nee, die andere, die vreselijke kerel!’
‘Ik weet het niet, majesteit, maar dat moet gewoon een ontzettende booswicht zijn’
‘Misschien wilde hij wel mijn horloge stelen,’ zei ze naar enig stilzwijgen. Fris en lenig liep ze naast me voort. Haar houding was ongebroken en ze leunde op mijn arm. Even later wendde zij zich tot me.
‘Nu ben ik zeker bleek?’
‘Een beetje,’ antwoorde ik, ‘misschien van de schrik.’
Intussen kwam de portier nog aansnellen met de medeling dat de man van de misdaad gegrepen.
‘Wat zegt hij?’ vroeg de keizerin. Terwijl ik antwoordde en de keizerin aankeek, zag ik dat haar trekken zich smartelijk wijzigden. Geschrokken vroeg ik toch de waarheid te willen weten, wat zij voelde en of zij geen pijn had en terwijl ze schijbaar zonder moeite haar weg vervolgde hechtten mijn blikken zich in dodelijke zorg aan haar schreden
‘Ik geloof dat de borst me wat pijn doet, al ben ik er ook niet zeker van.’
We hadden het haventje bereikt. We liepen nog makkelijk over de scheepsbrug, maar nauwelijks had ze het schip bereikt of de keizerin begon te wankelen.
‘Geef me uw arm,’ stamelde ik met verstikte stem.

Ik pakte haar beet maar kon haar niet houden. Haar hoofd tegen mijn borst drukkend zonk ik in de knieen.
‘Een dokter, een dokter. Water!’ riep ik tegen de hulp ijlende lakei. De keizerin lag doodsbleek, met gesloten ogen, in mijn armen. De lakei en anderen stormden met water te voorschijn. Toen ik dit over haar gezicht en de slapen sprenkelde, openden de oogleden em met onzetting vernam ik daarin het aanschijn van de dood.
Al dikwijls had ik die gezien en nu herkende ik hem in de verglaasde ogen. Deze verschrikkelijke last die mij onder de aarde wilde drukken is zijn hand. De kou die mijn hart doet verstarren, zij is de kilte van de dood.
Ik dacht aan een hartaanval.
Een man maakte mij er op attent dat wij ons dicht bij de machine bevonden en dat het beter was de dame op het dek te brengen en legden haar op een bank.
‘Een dokter, een dokter. Is er geen arts aan boord?’ riep ik de omstanders toe. Er kwam een man naar voren die de hulp van zijn echtgenote aanbood. Die was half en half arts en wist hoe ze iemand moest verplegen. Madame de Dardelle liet water en eu de cologne brengen en ze probeerde de keizerin weer tot leven te wekken. Op haar verzoek sneed ik wat koordjes van het korset door terwijl een barmhartige zuster eau de cologne over het voorhoofd wreef.
Intussen was het schip weggevaren. Ik merkte hoe de keizerin zich probeerde te verheffen, zodat ik het korset onder haar los kon trekken. Toen schoof ik een in ether gedoopt stukje suiker tussen haar tanden en ik voelde weer een straaltje hoop toen ik hoorde dat ze daar een keer of twee op beet.
Op het schip viel nu koele zeelucht te ontwaren die er toe bijdroeg dat onder de pijnlijkste twijfel ondernomen pogingen haar weer tot leven te wekken succes hadden.

De keizerin opende langzaam de ogen en lag daar even met rond zich geworpen blikken alsof zij zich wilde orienteren, waar ze was en wat er met haar was gebeurd. Zij verhief zich en ging rechtop zitten. Wij hielpen haar daarbij en zij steunde tegen de vreemde dame. Merci.
Een ziel dia aan de andere zijde staat van de grens waar het rijk van gelukzaligheid stoot aan dat van de verdoemenis en die zich vertwijfeld afvraagt welke poort zich voor haar zal openenen, die mag de gevoelens bezitten die mij op dat moment vervulden.
Een bemoedigende lichtstraal viel uit de hoogte op mij neer, alleen mijn ziel voelde al de ijzige adem van de zwarte golf en vermoedde het naderen van de grote oneindige nacht. Ofschoon de keizerin zich met eigen kracht zittende hield, zag zij er toch zeer gebroken uit. Haar ogen waren versluierd en onzeker wankelend zag ik de triestheid van haar blikken.

De passagiers van het schip die om ons heen stonden, trokken zich terug, er bleven er vier over: madame Dardelle, een kloosterdame, ik en de trouwe lakei met wie ik in het Hongaars kon spreken.
Voor de keizerin knielend lette ik scherp op haar trekken en smeekte de hemel om barmhartigheid. Haar blikken zochten de hemel, toen bleven zij rusten op de Dent du Midi en terwijl zij mij aankeek, leek zij zich voor eeuwig met mijn ziel te verenigen.
‘Wat is er dan met mij gebeurd?’
Dat waren haar laaste woorden, toen viel zij weer bewusteloos.
Ik wist dat de dood nabij was. Vlug sneed ik de om mijn hals hangende medaille van de Maria congregatie los, legde die op haar hart en smeekte de heilig moeder Maria haar ziel voor de grote reis voor te bereiden.
Consolatrix afflictorum!
Intussen bleef madame Dardelle haar laven met de ether. De keizeirn droeg een klein zwart zijden versielsel dat ik om haar wat verlichting te verschaffen boven de borsten wilde openen. Toen ik de banden uiteenreet zag ik op het daaronder bevindende batista hemd in de nabijheid van het hart een donkere vlek met de grootte van een zilveren gulden. Wat was dat? Het volgende moment stond de verlammende waarheid me helder voor de ogen. Het hemd opzij schuivend ondekte ik in het gebied van haar hart een kleine driehoekige wond aan de randen waarvan gestold bloed kleefde.
Lucheni had de keizerin met een dolk geraakt! In het gezicht van die gruwelijke werkelijkheid richtte ik mijn ziel tot onze heer Jezus Christus, tot onze Verlosser die voor ons de marteldood stierf en smeekte enkel van hem kracht te ontvangen dit kruis te dragen.
Ik moest handelen.
Ik liet de scheepskapitein naar me toe komen.
‘Mijnheer,’ zie ik tot hem, ‘op uw schip ligt dodelijk gewond de keizerin Elisabeth van Oostenrijk, koningin van Hongarije. Men mag haar niet zonder bijstand van een arts en geestelijke hulp laten sterven. Keert u alstublieft onmiddelijk weer om’
De kapitein gehoorzaamde zonder te spreken. Hij voer weer richting Geneve.
Nu schreef ik twee boodschappen voor Berzevicy en voor Kromar, de heer Dardelle nam ze in ontvangst om er voor te zorgen zodra we de oever hadden bereikt.
De keizerin lag nu in doodsnood.
Ik knielde neer voor de bank waarop ze lag en bad.
‘Dit is het einde’ hoorde ik van alle kanten.

Wij voeren de haven in, legden de keizerin op een geïmproviseerd draagbed dat zes mannen wegdroegen. Voor wij ons in beweging zetten spreidde ik een grote zwarte mantel over haar uit. De doodstrijd was zacht. Er was geen teken van strijd. Op dat moment liet ik onrustig het hoofd opzij hangen. We liepen traag voort, aan de ene kant bevond ik me, aan de andere kant stond een man die de witte waaier van de keizerin uitgebreid boven haar hoofd hield. Achter en om ons heen roerde zich een opgewonden menigte die het schip had zien terugkeren en zich het boze vermoedend bijeen schaarde.
Hartverscheurend was deze terugblik naar een plek waar de keizerin nauwelijks een uur tevoren met opgewekt gemoed was vertrokken.
In haar kamer legden we haar op het bed. Doctor Golay was al ter plaatse. Spoedig daarna kwma er nog een tweede arts. Behalve hen waren ik, mevrouw Mayer, de echtgenote van de hotelhouder en in een hotel verblijvende Engelse verpleegster aanwezig.
Ik toonde de wond aan doctor Golay. Hij kon met zijn sonde nie tnaar binnen komen omdat de opening van de wond zich na de verwijdering van het korset van de de oorspronkelijke plaats verwijderd had. ‘Er is geen enkele hoop meer,’ sprak de arts na een poosje.
Ik wist dat al lang maar toen ik dit nu zo droog en zakelijk hoorde uitspreken, voelde ik me van ijs doortrokken en met klapperende tanden sprak ik mechanisch:’Geen enkele hoop meer!’
En toch bad ik de artsen smekend pogingen te doen haar tot leven te wekken. Het was allemaal vergeefs. Zij leefde nog maar ze ademde nauwelijks meer.
Nu kwam de priester en hij gaf haar de laatste absolutie. Was er nog leven in haar? Of was haar verheven ziel al naar de hemel gestegen zonder de zegen af te wachten, zeker dat aan de hemelpoort de zegen wachtte die zij verwachtte en die is van onze lieve Heer?
Om tien minuten over half drie sprak de arts het verschrikkelijke woord uit. De schoonste, edelste ziel, die zwaarst beproefde van allen, had de aarde verlaten en haar heengaan viel samen in dat ene korte woord.
Dood!
Ik had het gevoel dat zich nu heel ver hoorbaar een smartenkreet voltrok die de lucht vulde en alle goede mensen liet wenen en klagen zoals mijn ziel weende en weeklaagde om mijn keizerin.
Jezus, mijn Verlosser, wees met mij in dit zware uur!
Ik mocht niet ineenstorten. Ik mocht er niet aan denken dat het goed zou zijn zelf te sterven, haar na te volgen en te begeleiden in de dood.
Ik mag niet zondigen!
Zij kijkt terug en ziet dat haar gelovige Irma wankelt onder de last van de smart.
Heilige Moeder Gods, sta me bij dat ik niet zondig!
Toen dacht ik aan de keizer. In deze gruwelijke ogenblikken dook telkens weer zijn goedige gestalte voor mij op.

Wat een leed heeft hij al in zijn hart gesloten. Hoe overtreft het noodlot alle leed tot nu toe met het allerergste.
Ik zie de met zorg beladen, grijze keizer langs vreemde wegen zou kunnen bereiken. Dat mag nooit geschieden. Ik verzamel al mijn krachten en het lukt me een korte tekst op te stellen.
Ik adresseer die aan graaf Paar.
‘Hare majesteit de keizerin werd zwaar gewond, verzoek dit aan zijne majesteit de keizer met diepste respect te melden.’
Nauwelijks was de depeche uitgegaan toen de Oostenrijks-Hongaarse consul zich meldde en zijn diensten aanbood. Ik vertelde hem de details van wat was geschied en verzocht hem dit aan de minister van Buitenlandse Zaken mee te delen. Dat speelde zich af in een zijkamer.
Toen ik bij de keizerin terugkeerde, opende men even de slagader aan haar linker arm. Er kwam een druppel bloed uit. Hierna verwijderden zich de artsen.
Ik ging aan het hoofdeinde van de keizerin staan. Haar gelaat straalde nu in het zegenvierende wit van de hemelse vrede. De vreselijke overgang waarvoor ik gesidderd had was kort en verwarrend geweest als een ochtenddroom waaruit zij slechts ontwaakte om zich door het vroege rood van de hemelse zaligheid omstraald te zien.

De boeien der aarde waren van haar gevallen en deze dochter van de hemel gleed nu in vrije vlucht naar de troon van Onze Lieve Heer om uit zijn hand het loon voor haar lijden te ontvangen.
Dit naar de vorm nog slechts stoffelijke leven, die trouwe lijdensgezel van haar ziel, voelde de gelukkige verlossing van de betere helft en ging nu in alle rust de bevrijding tegemoet.
Geen zenuw schokte mij meer! Slechts een blik onder de halfgeopende leden, hemelwaarts gericht en gebroken, en een zacht lachen rond de mond herinneren nog aan het leven. Daarmee heeft zij de zalig ontsnappende ziel begeleid, daarmee heeft ze voor altijd afscheid genomen. Ik maak nu het kruisteken en druk haar de ogen toe. Dan klem ik mijn rozenkrans tussen haar vingers en leg haar beide handen tot een gebed gevouwen over haar borst.
Met hulp van een verzorgster orden ik zoveel mogelijk het sterfvertrek. Op de tafel naast haar plaats ik een kruisbeeld tussen vier brandende kaarsen.
En de herfstaster brachten we uit de salon naar binnen. Mochten zij toch verder uitbloeien nu zij zich niet meer aan enige vergankelijkheid hoeven te binden. Toen dit gebeurd was, stelde ik een tweede tekst op voor de graaf Paar.
‘Hare majesteit de keizerin is ontsluimerd.’
En nu, terwijl ik opnieuw ineenzink – o, vergeef mij dit Heiland, die driemaal ineenzonk op de tocht onder het kruis naar Golgotha, – nu bid ik op mijn knieen aan haar doodsbed.’

Bron: blz 7 t/m 15 “Elisabeth Leven en dood van Sissi” van Martin Ros
Notitie: De dolk die Martin Ros beschrijft in zijn boek, moet natuurlijk een driekantige geslepen vijl zijn.

Zo beschreef Frederic Barker, die met de keizerin naar Geneve was meegereisd, voor het laatst de aanblik van de dode. ‘Zij ziet eruit als een vrouw van dertig jaar. Wit als marmer is de doods getekende huid, lichtrood zijn de lippen onder de wangen. Een lachen speelt er omheen, zo fijn, zo teder als haar leven is geweest. Ik moest bij deze aanblik denken aan een beeld van Sappho, dat hare majesteit bezat in Lainz en dat zij zozeer liefhad. Zo als Sappho, zo zag zij er uit.’
De boodschap van haar dood moet overgebracht worden aan Franz-Jozef. Om vier uur volgde op 12 september het tweede telegram van Irma Sztaray: ‘ Haar Majesteit de keizerin is ontsluimerd.’
De keizer maakt zich op om deel te nemen aan manouvres in Slowakije. Het is tenslotte graaf Paar die de moed opbrengt terwijl hij zelf bijna bewusteloos valt het nieuws aan Franz-Jozef te melden.
De keizer stort na de woorden ineen en verbergt zijn gezicht minuten lang in zijn handen. Dan zegt hij tot de verbijsterende Paar:’Mij blijft ook werkelijk niets bespaard op deze wereld’
Langzaam staat hij op en zegt met strak gezicht tot Paar: ‘De manouvres moeten doorgaan. Beck moet leiding geven.’
Hij trekt zich in een prive-vertrek terug. Urenlang heeft hij daar doorgebracht. Alleen en met zijn tranen, vertwijfeld de naam Elisabeth herhalend. Zijn laatste vaarwel in Bad Nauheim was een afscheidsgroet geweest.

Op donderdag 15 september arriveert de kist met Elisabeth even na tienen ’s avonds op het station van Wenen. Over de metropool van de dubbelmonarchie klinkt het gedempte geluid van de trommels. De stad brengt, waar alle elektrische lichten en gaslantaarns laatste hymne aan de vrouw-in-het-zwart die niet meer levend in Wenen zal terugkeren.
Er doen zich ontzettende taferelen voor als direct op het station officieren en soldaten zich niet kunnen beheersen maar zich bijna op de kist willen storten. In de schemer herstelt zich heel langzaam de orde. Het licht van de gasfakkels tintelt even vaag als verbeten over de kist die wordt voortgedragen naar de hartebloedplek van de Habsburgers. Huzaren gaan voorop, ruiters en lakeien lopen in zwarte Spaanse livrei onder gepoederde pruiken in een door allen gewenste regelmaat. Zelfs de hoefslag van de paarden valt niet te vernemen. Zo bereikt de stoet de Hofburg.
Franz-Jozef ontvangt zijn dode geliefde. Als de priester van de Hofburg een gebed uitspreekt ziet men hoe de keizer zijn vastberadenheid verliest. Zijn handen sidderen, zijn lippen bewegen zich krampachtig. De stem van de priester wordt luider en plechtiger. Hij laat de naam van Elisabeth hoog rondschallen, geheel in tranen, buigt de knieen en legt de hand op de kist. Er lijkt een schok te gaan door alle omstanders. De dochters van de keizer laten in luide vertwijfeling hun gebeden horen. Prins Liechtenstein wil met de baarsleutel de kist sluiten. Franz-Jozef verheft zich, hij strekt zich uit, de armen over de baar. Als hij opstaat ziet hij de gravin Irma Sztaray. Hij omarmt haar en fluistert: ‘Heeft zij erg geleden?’ De gravin zinkt ineen, de keizer moet haar met beide armen ondersteunen.

Op zaterdag 17 september volgt de bijzetting in de Kapuzinergruft van Elisabetha Imperatrix Austriae Regina Hungariae. De hele stad Wenen lijkt gehuld in het zwart. Straat in straat uit staan de rijen huilende of star verstilde mensen. Er wordt afscheid genomen van een tijd, van een eeuw, van een epoche. Er heerst een raadselachtige, immense stilte. Alleen de klokken van de stad die alle luidden, vergezellen de keizerin. Even over vieren geeft kardinaal Gruscha in de Kapuzinergruft zijn laatste zegen. Het Libera me wordt gezongen.
In het duister bijna neemt Franz-Jozef eenzaam afscheid van zijn dame-in-het-zwart.

Wie zou hem niet hebben willen zien toen hij zich naar buiten begaf? Het slot in het magistrale boek van Johannes Thiele, waaraan ik even curieuze details ontleende als aan het werk van Brigitte Hamann, mag ook hier niet ontbreken. Het is naast de wat bittere wijze waarop Brigitte Hamann afscheid neemt van iemand die volgens haar beter geen keizerin had kunnen zijn, een waardige triompf. Het is een samenvatting van een brief van 16 oktober van Franz-Jozef aan de vrouw die hem in deze dagen zo zonder woorden, zo intens, zo waarachtig terzijde stond, aan Katharina Schratt. Franz-Jozef schrijft vanuit Boedapest, waar de Hongaren bij honderdduizenden hun meeleven hebben uitgedragen aan de vorstin die zij nimmer vergaten omdat zij in de liefde de basis legde voor de dubbelmonarchie.
Franz-Jozef schrijft: ‘De dag van gisteren was voor mij bijzonder treurig daar ik zoveel terugzag wat me smartelijk maar ook op een manier van weemoedige bevrediging aan onze dierbare gestorvene herinnerde. In Ofen liep ik door alle kamers van de eerste etage. Alles was zoals steeds op haar komst voorbereid, elk voorwerp stond op eigen plekm, ook de weegschaal waarop ze dagelijks haar gewicht nalas. Het nieuwe balkon met het mooie uitzicht op Pest en de Donau, waar zij zich vorig jaar nog zo op verheugde, was met allerlei elegante meubels opgesierd. En toch was alles zo helemaal leeg, zo zonder leven, er was geen hoop meer op ons weerzien in dit leven.’

Bron: blz. 269 t/m 272 “Elisabeth Leven en dood van Sissi” van Martin Ros

Een van Sisi’s uitspraken :’Ik zou willen dat mijn ziel zich ooit in de hemel zal verheffen door een kleine opening in mijn hart.’
En laat dat nou net gebeurd zijn. Toeval of wist Sisi toch meer van haar eigen dood? Een vraag die waarschijnlijk altijd onbeantwoord zal blijven.

‘Niemand zal ooit weten hoeveel ik van haar gehouden heb’, Franz Joseph kort na de dood van zijn vrouw.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *