De ontmoetingen met de keizer

Elisabeth en Franz Joseph tijdens hun eerste ritje na de verloving
Elisabeth en keizer Franz Joseph tijdens hun eerste ritje samen kort na de verloving.
Deze afbeelding is niet de volledige foto. De volledige foto kan je vinden in het fotoalbum.

Er waren een paar ontmoetingen tussen Elisabeth en Franz Joseph. Hun eerste ontmoeting vond al plaats in juni 1848 in Innsbruck. Franz Jozef -nog geen keizer op dat moment, hij was nog aartshertog- was net een week terug van het Italiaanse front. In Italie was het gelukt om de opstand de kop in te drukken, maar in Hongarije wekten de revolutionaire leiders het hele land op tot rebellie. Onder deze omstandigheden was de aartshertog bepaald niet in de stemming om zich bezig te houden met de Beierse nichtjes.

Sophie was vooral ingenomen met Helene en ze vond Helene wel geschikt om op een dag koningin of keizerin te worden. Sophie verdiepte zich in sentimentele fantasieën, die zelfs zo ver gingen, dat ze haar zuster aanraadde, zich meer moeite te geven met Helenes opvoeding, vooral wat betreft de vreemde talen. Sophie was nogal geschokt dat geen van de beide meisjes behoorlijk Frans konden spreken.
Sophia’s derde zoon, aartshertog Karl Ludwig, een schuchtere jongen van dertien jaar, liep Elisabeth altijd achterna met geschenken van vruchten en bloemen. Hij bleek een trouw bewonderaar te zijn. In de vijf jaar die voorbij gingen voor ze elkaar weer ontmoeten, stuurde hij haar geregeld kleine cadeautjes, als ringen, armbanden of beschilderde waaiers, waarvoor ze hem beleefde bedankbriefjes schreef in kinderlijke handschrift op luxueus met rozen beschilderde papier. Eens ging Sisi zo ver hem een ring te sturen en hem te vragen, die om harentwille te dragen. Sisi was trots op haar verovering, maar toch nog niet genoeg om er gedichtjes over te schrijven.

De onverschilligheid van Franz voor de adolescente charmes van Helene weerhield zijn moeder er niet van te speculeren op de toekomst. De dag zou komen, dat hij zou trouwen met een geschikte katholieke prinses en Sophie had er niks op tegen Ludovica’s hoop levendig te houden, want als Franz niet wilde, had ze nog wel drie andere zonen en er was niemand die ze liever als schoondochter had dan een van haar eigen nichten.
Maar welke plannen de twee zusters, Sophie en Ludovica, ook maakten gedurende die zomer in Innsbruck, er zouden nog vele jaren voorbij gaan voor ze verwezenlijkt werden.


De tweede ontmoeting

Vijf jaar later

Omringd door wouden en meren, gelegen in een bergdal in Opper-Oostenrijk moet het Bad-Ischl van de negentiende eeuw een van de meest charmante zomer verblijven zijn geweest. Slechts enkele kleurige villa’s met geelgroene luiken in de Biedermeierstijl van omstreeks 1820, een Kurhaus met zuilen en een paar hotels gaven het de waardigheid van een badplaats, bezocht door vorstelijke personen. En het behield zijn eenvoud voornamelijk door deze vorstelijke bezoekers, voor wie het de enige plaats was waar ze zich konden ontspannen als menselijke wezens. Langer dan twintig jaar hadden aartshertog Franz Karl en aartshertogin Sophia hun zomers in Ischl doorgebracht met hun kinderen. Ze bezaten er geen eigen huis, doch huurden ieder jaar dezelfde prettige, eenvoudige villa met een schaduwrijke tuin, die glooiend omlaag liep naar de Traun. En ieder jaar jammerde de aartshertogin, dat het hier veel te klein was voor haar familie en haar gevolg. Ze was echter gaan houden van de Villa Eltz en had het huis tijdens de regering van keizer Ferdinand als haar enige thuis beschouwd.

Geen wonder dat Franz Josef van de vrolijke, onceremonieuze atmosfeer van Ischl hield, waar hij de jeugd die hij zo voortijdig verloren had, weer wat kon inhalen. Het enige verschil was nu, dat hij en zijn gevolg bij de burgemeester moesten logeren. Maar het was een jolige burgemeester met een dikke buik, die hem al als kleine jongen had gekend en die altijd bereid was om voor het aanbreken van de dag met hem de bergen in te trekken om gemzen en auerhanen te schieten. Hij kwam altijd op tijd voor het avondmaal terug in Villa Eltz, waar zijn moeder het heerlijk vond de eenvoudige schotels voor hem te bestellen, die hij zo graag at; Rindfleisch en Salzburger Nockerln en de luchtige omelet, die tot op de huidige dag bekend staat als Kaiserschmarren. Aartshertog Franz Karl mocht de kroezen bier drinken, die zijn vrouw afkeurde in de Hofburg en Franz Josef legde zijn met goud geborduurde uniform af voor de leren broek en wambuis van de jager.
Maar toen hij op 16 augustus 1853 met zijn adjudant, graaf Grünne, uit Wenen vertrok, beschouwde de keizer zijn vakantie met gemengde gevoelens. Hij was zich terdege bewust van zijn moeders plan en ondanks de charmante miniaturen en foto’s van prinses Helene, die hem in de afgelopen maanden getoond waren, was het moeilijk te geloven, dat het timide meisje, dat in Innsbruck zo weinig indruk op hem had gemaakt, een schoonheid was geworden. Aan de andere kant wilde hij dolgraag trouwen. De geestdriftige brieven van zijn boezemvriend, prins Albert van Saksen, die onlangs getrouwd was, hadden hem ervan overtuigd, dat een gelukkig huwelijk bevredigender kon zijn dan iedere kortstondige passie. Als hij nu maar verliefd zou worden op zijn nicht. Maar de herinnering aan de scherp geciseleerde trekken van prinses Helene kon hem niet veel enthousiasme geven.

Intussen wachtte de aartshertogin op haar zuster en nichten in het hotel, waar ze kamers voor hen besproken had. Niet alleen waren ze meer dan een uur te laat, maar tot haar ergernis verschenen ze alle in de rouw voor een van de tantes van de koningin van Beieren. Sophia ergerde zich vooral, omdat haar zoon over een half uur in de villa verwacht werd. Ze hadden geen tijd meer om zich te verkleden en met haar bleke gezichtje en zwart haar zag Néné er monsterlijk uit in het zwart. Maar ze kon er niets meer aan veranderen. Ze kon alleen haar eigen, ervaren kamenier zenden om het haar van het meisje zo voordelig mogelijk te kappen en hopen, dat haar natuurlijke jeugd en frisheid zouden zegevieren over haar kleren. In later jaren verweet de aartshertogin haar zuster dikwijls, dat ze de kansen van die arme Néné had verknoeid door zo bespottelijk zuinig te zijn, dat ze haar dochters niet in witte japonnen op reis had laten gaan.
Er is zoveel geschreven en verzonnen over die eerste ontmoeting in Villa Eltz, dat de naakte waarheid bijna alledaags lijkt. Elizabeth was geen wilde, kleine ondeugd, die onuitgenodigd binnen kwam hollen, geen arme Assepoester die achtergelaten werd in het hotel, die Franz Josef toevallig zag paardrijden in het bos. Hij zag haar voor het eerst in zijn moeders salon, waar ze bescheiden achter haar gouvernante stond, haar glanzend haar zedig gescheiden in het midden en de vlechten om haar kleine hoofdje gewonden. De zwarte japon, die Helene zo vaal maakte, accentueerde bij Sisi juist haar verfijnde gratie en frisse huid. In vergelijking met Elizabeth zag Helene er links en beteuterd uit met haar van zenuwen opeengeklemde lippen en wangen, die nog bleker waren dan anders.

Gelukkig was het een grote familiereünie en al waren de jongeren aanvankelijk stil, de drie zusters, Elise, Ludovica en Sophia babbelden aan één stuk door. Aartshertog Franz Karl glimlachte vriendelijk en gemoedelijk en probeerde zijn nichtjes op hun gemak te stellen met een grapje. Franz Josefs oudoom Ludwig, die een huis in Ischl bezat, had een militair orkest opgetrommeld om in de tuin te spelen. Spoedig was het ijs gebroken en jong en oud floot en zong de refreinen mee van de laatste operettes. Aides-de-camp en hofdames werden weggestuurd en Elizabeth mocht opblijven zonder haar gouvernante, ,de lieve, schattige Rödi’, die de plaats had ingenomen van de veelgeplaagde barones Wulfen, terwijl de achttienjarige Karl Ludwig zijn verlegenheid voldoende had overwonnen om haar te voorzien van koekjes en ijsjes en nu en dan schuchtere complimentjes in haar oortjes te fluisteren. Maar ze stelde veel meer belang in haar zuster en de keizer, die zich , beleefd met elkaar onderhielden’ en zich helemaal niet gedroegen op de manier, waarop ze verwachtte dat een half verloofd paar zich zou gedragen. Franz Josef was niet zo angstaanjagend als ze zich hem had voorgesteld. Hij was veel jonger en knapper dan ze zich herinnerde en hij droeg zijn elegante generaalsuniform met de gratie van een luitenant. Als hij haar aansprak, sloeg hij een opgewekte, half plagende toon aan, alsof ze nog een klein meisje was, maar als ze in zijn richting keek, vond ze zijn ogen altijd op haar gericht met een vreemd-ernstige uitdrukking, die haar deed blozen van verlegenheid.
Die nacht, nadat het feest afgelopen was, zei Karl Ludwig verdrietig en teleurgesteld tegen zijn moeder: ,,Franzl vindt Sisi veel aardiger dan Néné. U zult zien, dat zij degene is met wie hij wil trouwen.” Waarop de aartshertogin antwoordde: „Wat een onzin. Alsof hij naar dat aapje zou willen kijken!”

Maar jaloezie is helderziend en de volgende ochtend was de aartshertogin nog maar nauwelijks uit haar bed, of de keizer kwam al op bezoek. Hij zag er zo blij en opgewonden uit als een schooljongen en begon direct te praten over Elizabeth. Vond zijn moeder haar niet betoverend? Zo bescheiden en toch zo volkomen op haar gemak . . . zo vrolijk en toch zo ontroerend in haar eenvoud … zo fris en onbedorven als een groene, halfgeopende amandel met zo’n lieve blik in haar ogen en lippen, die even zacht en uitnodigend waren als rijpe aardbeien. Zelfs die saaie, zwarte japon kon haar mooie figuurtje niet bederven, maar zijn tante had hem beloofd, dat ze vandaag geen rouwkleding zouden dragen. Zijn moeder kon haar oren nauwelijks geloven, toen ze Franz, die gewoonlijk zo kalm en nuchter was, in dichterlijke gelijkenissen hoorde spreken. Omzichtig trachtte ze het gesprek terug te brengen op de oudere zuster. ,,Zo’n knap meisje met dat slanke, rechte figuurtje … en intelligent is ze ook. Het is een meisje dat zal opgroeien tot een mooie vrouw.” Maar al stemde hij er beleefd mee in, het was duidelijk dat hij alleen geïnteresseerd was in Elizabeth. Zijn moeder weigerde echter nog steeds te geloven, dat haar zoon verliefd had kunnen worden op een kind van nog geen zestien, dat van toeten noch blazen wist. Het idee alleen al was belachelijk en toen ze de plaatsen verdeelde bij het familiediner, plaatste ze Elizabeth opzettelijk tussen haar zelf en de prins van Hessen, een verre neef, die koningin Elise naar Ischl had begeleid. Helene zou de ereplaats krijgen tussen de keizer en zijn vader en Franz Josef zou dan zelf kunnen zien, dat Elizabeth nog totaal ongewend was aan volwassen gezelschap en conversatie.

Het plan van de aartshertogin slaagde in zoverre, dat ze Elizabeth tot stilzwijgen terroriseerde. Zoals ze tegen haar gouvernante zei: „Het is allemaal goed en wel voor Néné, die eraan gewend is mensen te ontmoeten, maar wat moet ik zeggen tegen al die grote mensen?” Om het nog erger te maken, ontbrak de geruststellende aanwezigheid van haar moeder, die met migraine naar bed was gegaan. Van pure nervositeit kon ze niet eten en de prins van Hessen zei tegen haar tante: „Wat mankeert Sisi? Is ze soms aan het vasten? Ze heeft alleen maar wat soep en sla gegeten.” Maar Elizabeth was te naïef om op te merken, dat haar tante Sophia even ontsteld was als zij over de manier waarop Franz Josef haar voortdurend bleef aankijken tijdens de maaltijd, zelfs als hij met Néné praatte. Ze was verbijsterd, verrukt en ook verlegen, want hoe kon iemand die zo knap en gewichtig was nu enige notitie nemen van iemand die zo jong en onbetekenend was als zij.
Op de avond van het bal, waarvoor Elizabeth ook was uitgenodigd op uitdrukkelijk verlangen van de keizer, begon de aartshertogin zich ervan bewust te worden, dat al haar plannen scheef waren gelopen en dat haar zoon verliefd was geworden op zijn vijftienjarig nichtje, even romantisch verliefd als iedere jonge student. Het was een bal, waarvoor niet minder dan negentig personen waren uitgenodigd, inclusief de verscheidene leden van de Pruisische en Oostenrijkse hofhoudingen. Ze hadden gehoopt, dat het weer dansen op het grasveld zou toelaten, maar het was koud en het regende en alle gasten moesten ondergebracht worden in het reeds overvolle huis. Die avond droeg Helene een prachtige, wit-satijnen japon, die haar schoonheid tot zijn recht deed komen, maar het was al te laat. Haar zusje met haar eenvoudige jurkje van perzikkleurige voile, een diamanten pijl in haar kastanjebruine krullen, had al het centrum van het toneel ingenomen. De keizer keek naar niemand anders. Als hij Elizabeth even verliet was het alleen voor het genoegen om haar te zien dansen met een van zijn aides en in zijn verliefde ogen was zij gracieuzer dan Taglioni. Toen ze aan de cotillon toe waren, legde hij alle discretie af en danste alleen met haar. Al zijn boeketjes werden aan haar voeten gelegd en hij hield er zelfs geen enkele over voor Helene. En tegen middernacht, toen het feest was afgelopen, wist heel Ischl dat de keizer verliefd was op zijn nichtje, prinses Elizabeth van Wittelsbach.
En Elizabeth zelf? Een kind, dat nog niet tot vrouw was uitgegroeid? Wist zij wat liefde betekende? Of was het allemaal een deel van een fantasie? Bestond Franz Josef voor haar als een echte man, of was hij even romantisch en onbereikbaar als de graaf met de donkere ogen, voor wie zij gedichten had geschreven in de bossen van Possenhofen? Zij had een karakter, waarin de verbeelding een grotere rol speelde dan de werkelijkheid. Maar die nacht van haar eerste bal, met Franz Josefs armen om haar middel, de geur van zijn rozen in haar haar, zijn aanbidding die haar omgaf als een nevel, die nacht moet de werkelijkheid de verbeelding hebben overtroffen.
Ze schijnt bang te zijn geweest midden in haar overwinning, angstig door de aandacht die plotseling op haar geconcentreerd werd, want toen haar gouvernante haar vroeg of ze overrompeld was geweest toen de keizer haar al zijn boeketjes gaf, antwoordde ze: „Nee, ik was alleen erg verlegen.” Verlegen en misschien wat beschaamd voor de oudere zuster, die ze ongewild had vernederd en bij wie ze nooit meer haar hart zou kunnen uitstorten of vragen, hoe het allemaal zo gekomen was.

Op de volgende ochtend, de 18de augustus, ontwaakte aartshertogin Sophia met een vreselijke hoofdpijn. Te oordelen naar de telkens terugkomende verhalen in hun brieven en dagboeken schijnen alle Wittelsbach-zusters aan migraine te hebben geleden. Maar die dag was de verjaardag van de keizer en als de meest onzelfzuchtige en liefhebbende van alle moeders moest zij de eerste zijn om haar geschenken en gelukwensen aan te bieden. Hij kwam haar kamer binnen, zo stralend van geluk, dat zij het hart niet had om hem alles te zeggen wat ze hem had willen zeggen, hem te smeken zich niet onmiddellijk te binden, alles eerst nog eens te overdenken en Elizabeth beter te leren kennen om erachter te komen, wat er achter dat betoverende gezichtje lag. Bij het grote familiediner, waar iedereen op de gezondheid van de keizer dronk, was het Elizabeth die op de ereplaats zat en er, zoals de aartshertogin het noemde, .kindisch bescheiden’ uitzag. Maar in de middag, toen Sophia met een schijnbaar wonderlijk gebrek aan tact erop stond met de keizer en zijn twee nichten een ritje naar St. Wolfgang te maken, deden noch Elizabeth noch Franz Josef verder nog pogingen om hun gevoelens te verbergen. Ze waren volkomen in elkaar verdiept en keken elkaar in diep stilzwijgen in de ogen. En alleen de arme Helene kwetterde gewild levendig, hetgeen erg op de reeds gekwelde zenuwen van de aartshertogin werkte.

Nauwelijks waren ze teruggekeerd in de villa, of de keizer verzocht om een persoonlijk gesprek met zijn moeder. Het was niet nodig de reden hiervoor te vragen. Die was al te duidelijk op zijn gezicht te lezen. Hij had zijn besluit genomen en het was nu veel te laat om nog waarschuwende woorden te laten horen. Het was typisch voor Franz Josef, en dat was een van zijn grootste gebreken, dat hij nooit verder keek dan zijn neus lang was. Voor het moment was hij dol verliefd op het meest betoverende meisje dat hij ooit had gezien en hij stelde zich haar voor als de meest volmaakte van alle keizerinnen. Er was een ontwapenende eenvoud in de manier, waarop hij zijn moeder smeekte naar zijn tante te gaan en om Sisi’s hand te vragen, maar in geen geval mocht ze enige dwang uitoefenen op het kind, want zijn lot was zo’n zware last dat het geen groot genoegen was die te delen. En Sophia, die haar hele jeugd ernaar verlangd had keizerin van Oostenrijk te worden, verzekerde haar zoon, dat er geen vrouw ter wereld was, die niet met hem zou willen trouwen.
Zij was wel de laatste, die Elizabeths houding kon begrijpen, toen het meisje met wijd opengesperde, angstige ogen het aanzoek van de keizer vernam. „Natuurlijk heb ik hem lief. Hoe zou ik anders kunnen.” Toen barstte ze in tranen uit en snikte: „Was hij maar geen keizer!” Het was de hartekreet van een jong, wild schepseltje, dat zich vastklemde aan haar vrijheid, maar de gevangenismuren reeds om zich heen voelde. Toen deze hartekreet echter door haar moeder werd verhaald aan haar diverse tantes, neven en nichten, werd het niet veel meer dan een mooie frase, waaruit een gepaste, meisjesachtige bescheidenheid sprak.

Vroeg in de ochtend van zondag 19 augustus, had de keizer reeds het officiële antwoord ontvangen van de hertogin van Beieren. In blijde haast had ze het antwoord geschreven zonder te wachten op de reactie van haar man op haar telegram: ,,De keizer heeft om Sisi’s hand gevraagd en wacht op je toestemming. Wij zijn allen ingelukkig!” Dat Franz Josef verliefd was geworden op Elizabeth in plaats van op Helene maakte niet veel verschil voor haar. Het belangrijkste was, dat zij de keizer van Oostenrijk tot schoonzoon kreeg en dat al haar kinderen nu verzekerd waren van een briljante toekomst. Nauwelijks was de verloving van de keizer openlijk bekend gemaakt, of Ludovica en Sophia, die in hun hart echt Duits romantisch waren, vielen elkaar in de armen, schreiend van emotie. Het was een andere dochter en een andere nicht, maar het belangrijkste was, dat Franz Josef in hun familie trouwde. Noch Ludovica noch Sophia schijnen aandacht te hebben besteed aan het feit, dat Franz Josef en Elizabeth niet alleen volle neef en nicht waren, maar dat Elizabeths ouders ook nog achterneef en -nicht van elkaar waren, beiden Wittelsbachs .. . een gevaarlijke erfenis voor de erfgenamen van de Oostenrijkse troon.

Hun zuster, de koningin van Pruisen, die ook Elizabeths peetmoeder was, bood als eerste haar gelukwensen aan. Ze kwam het hotel binnen op het moment, dat Franz Josef zijn toekomstige bruid zo hartstochtelijk kuste, dat de koningin, die haar neef altijd als koud en gereserveerd had beschouwd, volkomen verrast was. Het leek wel, alsof de keizer de hele wereld wilde laten delen in zijn geluk. Iedereen moest het meteen weten, familieleden en aides-de-camp, zijn moeders hofdames en zelfs de bedienden. En Elizabeth was dodelijk geschrokken bij de ontdekking, dat oude dames van de hofhouding der aartshertogin nu met alle geweld haar hand wilden kussen. In een brief aan een andere zuster, de koningin van Saksen, schrijft de aartshertogin: „De laatste paar uur hebben ons zoveel geluk gebracht, dat we niet meer weten waar we zijn of hoe laat het is. We zijn buiten onszelf van vreugde.”
Men is geneigd, de oprechtheid van deze brief in twijfel te trekken, want op dezelfde bladzijde, waarop zij schrijft over ,Sisi’s betoverend gezichtje, haar bescheidenheid en liefheid’, geeft ze haar zuster duidelijk te verstaan, dat ze liever het oudere nichtje als schoondochter had gehad. Deze voorkeur had niets te maken met persoonlijke gevoelens, maar enkel met gezond verstand. Helene was evenals haar moeder zeer godsdienstig en plichtsgetrouw. Zij was een meisje, dat een uitstekende keizerin zou zijn geworden, als ze eenmaal over haar verlegenheid heen was. Sisi was als een wilde bosnimf en niemand had ooit een poging gedaan haar te temmen. Maar zij was de keuze van de keizer en noch in deze brief noch in haar eigen dagboek stond de aartshertogin zich één woord van kritiek toe.

Tegen elf uur, toen de keizerlijke familie in de kerk kwam, was het nieuws al bekend in heel Ischl. Een grote menigte mensen had zich verzameld op het kerkplein. Ze zongen het volkslied en rekten hun halzen om het mooie jonge meisje te kunnen zien, dat aan de arm van de keizer uit het rijtuig stapte in een eenvoudig japonnetje van gebloemd mousseline en een breedgerande strohoed. En iedereen merkte op, dat de trotse aartshertogin opzij ging om haar nichtje het eerst in de kerk te laten binnentreden.
Tijdens zijn lang, tragisch leven zou Franz Josef nooit meer omringd zijn door zoveel loyaliteit en genegenheid als in het kerkje van Ischl op die zondag, 19 augustus 1853. De mis was voorbij en de pastoor stond op het punt de gemeente te zegenen, toen de keizer naar voren trad, Elizabeth bij de hand houdend. Met een luide, heldere stem zei hij: „Eerwaarde, wilt u ons uw zegen geven, want dit is mijn toekomstige vrouw.” Toen ze uit de kerk kwamen, waren de straten propvol. Heel Ischl vierde feest. De winkels waren geopend en verkochten blauwe en witte linten, de kleuren van Beieren, die zich mengden met de geelzwarte vlaggen van de Habsburgers, die van alle daken en vensters wapperden. Ruikers wilde bloemen werden in de keizerlijke koets geworpen en voor het eerst hoorde Elizabeth haar naam weergalmen door de straten. Maar het was allemaal te veel voor een overgevoelig jong meisje, dat er niet van hield aangestaard te worden en dat doodsbang was voor mensenmassa’s. De verlegen glimlach, waarmee zij het gejuich beantwoordde, trilde op de rand van een snik. Haar moeder nam haar mee naar huis om te rusten en de aartshertogin merkte op: „Jammer, dat Sisi zo teer is.”

Terwijl Franz Josef zijn verloving in de intimiteit van de familiekring vierde in de idyllische omgeving van Ischl, reisde het nieuws naar Wenen, waar hier en daar enige kritiek klonk te midden van de algemene vreugde. Een deel van de liberale middenstand, die in de afgelopen twintig jaar toegenomen was in kracht en waaruit prins Schwarzenberg verstandig genoeg enkele van zijn kundigste ministers had gekozen, had liever gezien dat de keizer een bruid had gekozen, die geen connecties had met aartshertogin Sophia, want de moeder van Franz Josef werd door de liberalen nog even bitter gehaat als in de maartdagen van ’48 en zij en haar entourage werden verantwoordelijk gesteld voor het feit dat Wenen en Praag nog steeds in staat van beleg waren. Zelfs aan het hof was er kritiek, een gefluisterde en meer arglistige kritiek. In die exclusieve, starre aristocratie, die trots was op haar blauw bloed en haar zestien kwartieren van adeldom, werd het huwelijk van de keizer afgekeurd, niet omdat het de tweeëntwintigste verbintenis was tussen Habs-burgers en Wittelsbachs en een huwelijk tussen volle neef en nicht een speciale pauselijke dispensatie behoefde, niet om de gevaren van bloedverwantschap tussen twee families, die al erfelijk belast waren met krankzinnigheid en erfelijke ziekten, maar uitsluitend omdat prinses Elizabeth, die zowel van vaders- als van moederszijde afstamde van een familie, die ouder was dan de Habsburgers, van vaderszijde een Franse overgrootmoeder had, getrouwd met een prins d’Arenberg, wiens vader, een hertog van Napolitaanse oorsprong, niet had behoord tot de oude adel van Frankrijk. Volgens de ,hoffähige’ hertoginnen en gravinnen, die de toon aangaven in de hoge Weense kringen, verklaarde dit het gedrag van die uitzonderlijke hertog Max, wiens gewoonte en eigenaardigheden in Wenen even goed bekend waren als in München. Hij werd niet bekritiseerd om zijn algemeen bekende slippertjes of zijn talrijke onwettige nakomelingen. Het ,droit de seigneur’ over de mooie meisjes op zijn landgoed werd erkend als het privilege van een edelman, maar het was wel laakbaar, dat de schoonvader van de keizer graag verkeerde in het gezelschap van artiesten van lage geboorte en dat hij de zoon van een Weense herbergier gekozen had als boezemvriend. Maar het schandelijkste was wel, dat hij zijn handen besmeurd had door artikelen te schrijven voor de liberale schandaalpers.

Ondertussen was hertog Max in Ischl gearriveerd om deel te nemen aan de familiefeesten. Ondanks zijn liberalisme en bohémien smaak was hij verrukt, dat zijn lievelingsdochter de beste partij van Europa veroverd had. Hij had nooit veel interesse gehad voor Néné en het vermaakte hem te horen dat Sisi in minder dan twee dagen erin geslaagd was de zorgvuldige plannen van zijn vrouw en aartshertogin Sophia in de war te brengen. Hij benijdde haar niet, dat zij de aartshertogin als schoonmoeder zou krijgen en was gedeprimeerd bij de gedachte, dat er van zijn charmant dochtertje verwacht werd dat zij het evenbeeld zou worden van haar tante, terwijl ze door karakter en temperament volkomen ongeschikt was voor die rol. Maar hij was veel te egocentrisch om zich veel zorgen te maken over haar toekomst en iedere twijfel, die hij gehad mocht hebben, verdween bij het zien van Sisi’s stralend gezichtje.
Het kind, dat Possenhofen een week tevoren had verlaten, was nu een betoverende jonge vrouw, die zich bewust was van haar macht en haar schoonheid. De jonge keizer scheen met de dag verliefder te worden en zijn verloofde vond in hem de liefste en ridderlijkste van alle minnaars. Het moet bedwelmend zijn geweest voor een jong meisje, dat was opgegroeid in een grote familie en dat nooit opgevallen was tussen haar broers en zusters, om zich ineens in het middelpunt te bevinden van zoveel liefde en vleierij. Zelfs de aartshertogin schijnt ten slotte ook voor haar charme bezweken te zijn, ondanks alles wat hier verder ook over geschreven is, dat het tegendeel zou moeten bewijzen. Zij wedijverde met haar zoon in het geven van kostbaarheden, colliers en armbanden van diamanten en paarlen, en een krans van smaragden blaadjes om in het haar te dragen.

ledere dag bracht een nieuwe betoverende verrassing. Het ene bal volgde op het andere en ceremonie en protocol werden hierbij overboord geworpen. Elizabeth, de keizer en de vijftigjarige hertog Max stoeiden en staken vuurwerk af met evenveel geestdrift als de twaalfjarige ,Bubi’, de jongste zoon van de aartshertogin, terwijl Helene zich troostte door te dansen met de knappe aides-de-camp van de keizer en alleen de arme Karl Ludwig apart stond en met bedroefde, liefhebbende ogen keek naar de verloofde van zijn broer. Er waren jachtpartijen in de bergen, picknicks en landelijke feesten. In St. Wolfgang werd een groot vuurwerk afgestoken en de oude aartshertog Ludwig gaf een groot diner op een geïllumineerde boot, terwijl vuurpijlen en zonnen regens van sterren in het meer lieten vallen en de dooreengevlochten initialen van Elizabeth en Franz Josef onder een keizerskroon op de bergwand vlamden.

Maar de augustusdagen gingen al te snel voorbij. De zomeridylle van de keizer liep ten einde. Het moet hard geweest zijn zich los te maken van dit alles, als men drieëntwintig en smoorverliefd is. Het moet hard geweest zijn terug te keren tot de ijzeren zelftucht van wat Franz Josef zijn saai, bureaucratisch bestaan noemde. Gedurende twee glorieuze weken had hij Mazzini en Kossuth mogen vergeten, tsaar Nicolaas en de Oosterse kwestie, Pruisen en de Rijksdag van Frankfurt … al die problemen van zijn reusachtig, onhandzaam rijk, die hem wachtten in Wenen. Als een kind, dat weer naar school moet, stelde hij het uur van afscheid uit en vergezelde Elizabeth en haar familie tot Salzburg. In deze meest romantische van alle Oostenrijkse steden namen ze afscheid en het leek wel, of de keizer het nooit moe werd, Elizabeths betraand gezichtje te kussen. Maar het waren twee vreemden, die afscheid namen, twee mensen die vooralsnog niets van elkaar wisten en die slechts geleidelijk aan zouden ontdekken, hoe onverenigbaar hun karakters waren, hoe verschillend hun smaak. Maar terwijl de liefde van Franz Josef sterk genoeg zou zijn om alle moeilijkheden van hun huwelijk te overleven, zou Elizabeths liefde, fragiel en kortstondig als een droom, vervagen in het eerste uur van desillusie.

Bron: Elizabeth van Oostenrijk – De tragedie van een keizerin, Joan Haslip

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *