Elisabeth’s jeugd, gelukkig of toch niet …

Elisabeth met haar broertje Karl-Theodor
Gackl was de bijnaam van Karl Theodor en Sisi was de bijnaam van Elisabeth.
Zo had eigenlijk elk lid van de familie wel een bijnaam. Dit kwam omdat men vaak werd vernoemd naar een ander familielid en door de bijnamen kon men onderscheid maken. Elisabeth had een erg goede band met Karl Theodor. Hij zou zijn oudste dochter dan ook vernoemen naar zijn zus, zij werd de latere koningin Elisabeth van België.

Wanneer Elisabeth vier weken oud is, dan verdwijnt haar vader weer en gaat weer reizen. Hij houdt het nooit lang uit bij zijn ongeliefde vrouw. Hij gaat naar de Orient, waar hij een paar maanden blijft. Het is het begin van een lange rij van afwezigheden en teleurstellingen voor het meisje, dat afgodisch van haar vader houdt en elke keer weer opnieuw door hem in de steek zou worden gelaten. In Cairo koopt Max op de slavenmarkt vier kleine negerjongetjes, die hij mee terugneemt naar zijn vaderland. Geheel München woont de feestelijke doop van de Moren bij. Max geniet van het schandaal en de aandacht die hem ten deel valt. De nieuwe dochter Elisabeth is in ieder geval nog te klein, dat het nog niet loonde om zich met haar bezig te houden.
Het huwelijk van haar ouders is niet gelukkig, te verschillend in interesses en temperament. Ludovica bekommert zich met overgave om haar kinderen en Sisi zou tijdens haar hele leven een nauwe band met haar moeder en broers en zussen hebben. Ludovica was dan ook het middelpunt van de hertogelijke familie. Anders dan gebruikelijk in adelijke kringen, bekommert Ludovica zich persoonlijk met de opvoeding van haar telgen. Alhoewel zij bewust tegen elke lichamelijke- en emotievijandige discipline was, die ze zelf ondervonden had, hield ze wel van goede manieren en algemene vorming. Ze bemoeide zich met het onderwijspersoneel, maar liet zich in haar keuze vaker door de mening van de kinderen leiden.

Sisi noemt men haar al gauw, vaak werd ze ook Sethy of Beta genoemd. Sisi is een allerliefste en passende naam voor de kleine, ietwat jongensachtige prinses. Haar zus Helene is drie jaar, haar broer Ludwig zes jaar ouder als haar. Als Sisi de leeftijd bereikt dat ze speelkameraadjes nodig is, komt alleen de zesjarige Helene of Nené, zoals Helene ook wel werd genoemd, in aanmerking. De kleine Sisi houdt veel van Nené, alhoewel de oudere haar vaak haar superioriteit laat merken en haar zelfs tamelijk tiranniseert. Helene is een energiek meisje, wel een beetje heerszuchtig, Sisi daarintegen zacht en zwijgzaam, veel gevoeliger in wezen als haar grotere zus. De tegenstellingen hebben geen invloed op de goede verstandhouding van de beide kinderen.
Maar later sluit Sisi zich meer aan bij de twee jaar jongere Karl Theodor, die Gackel (betekent haantje) werd genoemd en geboren werd in 1839. Ze lijken in wezen en karakter veel op elkaar en begrijpen elkaar dan ook uitstekend. Terwijl Gackel al als kleine jongen zeer knappe trekken had, is Sisi’s uiterlijk eerder als apart te typeren. Ze groeit te snel en is zeer mager, maar werkt vol temperament met haar smalle, bleke gezicht, de grote kinderogen, in wie een grappenmaker schuilt. Deze guitige trek had ze nog steeds als vijftienjarige, zoals verschillende lithografieën laten zien.

Sisi is een wildebras, flink als een eekhoorntje, dat in elke boom klimt, ook al was hij zo hoog. Geen sloot is haar te diep of te breed. Gelijktijdig is er iets schuws, schuchter in haar, in het bijzonder, wanneer ze zich bekeken voelt. God zei dank komen er in het huis van haar vader niet teveel mensen, die haar bang maken. En aan het Münchner koningshof werden de jongere kinderen van de hertog in Beieren nog niet meegenomen.
Possenhofen aan de oever van de Starnbergersee, niet ver van München, is Sisi’s kinderparadijs. Haar kleine hart slaat sneller, wanneer het weer in de lente wat warmer werd en de familie van de stad naar het land gaat, naar het zomerverblijf, die vroeger voor keurvorst Max Emanuel als jachtslot had gediend. Hertog Max had het in 1536 gebouwde slot naar plannen van Klenze in stijl van de historisme laten verbouwen. Daar voerde de hertogin ‘een eenvoudig landleven’. Ludovica vertelde later, dat ze ook in deze zomers ‘ietwat verboerst’ was. In tegenstelling tot haar man hield ze afstand van de bevolking, maar Amélie von Urach (kleindochter van Ludovica, dochter van Karl Theodor) stelde vast: ‘Van haar hebben we bijna allemaal de grote liefde voor de vrije natuur, voor het bos en de wei, voor verblijven in de frisse lucht, voor urenlange voetreisen.’
Sisi houdt van dit slot, deze oude, rechthoekige muren uit rode stenen, met vier massieve, van tinnen gekroonde torens -resten van een nutteloos geworden verdedigingsconstructie-, van waar af men tot het Wettersteingebirge zien kan. Een park omgeeft het slot met schaduwrijke lanen, schitterende rozenperken en oude beuken alsook struiken, in wie vogels nestelen, die in het koude water van de Starnbergersee baadden. Hier op het land voelt de familie zich goed, alhoewel het slot van buiten eerder een afwijzende indruk maakt. Van binnen echter is het tot een gemoedelijk zomerverblijf voor de familie omgevormd. ‘Het huis is eenvoudig, maar goed geleid’, oordeelt Elisabeth’s hofdame gravin Marie Festetics, tien jaar later, ‘schoon, net, goede keuken, ik vond geen pronk, het is geheel aangenaam ouderwets, maar elegant.’ In Wenen heerste hardnekkig het vooroordeel dat Possenhofen niet meer was dan een ‘bedelherberg’.
Hier in ‘Possi’, zoals Possenhofen in de familie liefdevol werd genoemd, brengt de hertogelijke familie de mooiste tijd van het jaar door alsof in een hotel. Bij een wandeling in het slotpark, die met zijn rozentuinen tot aan de oever van het meer reikt, zou de nog niet tienjarige Sisi eenmaal geroepen hebben:’Bij mijn ouders en in de vrijheid ben ik de gelukkigste’. Licht, lucht en zon – en Sisi bespeurt een totaal geluk.

Sisi houdt van het ongebonden landleven, het water, dat ook in de zomer koud bleef, en zwemt en vist als een jongen, want voor meisjes is zulk vermaak ontoelaatbaar. Vooral houdt ze van haar vader: ‘Als een teder katje, dat men uit het mandje haalt, om met hem te spelen, behandelt Max zijn lievelingsdochter, wanneer hij van een van zijn uitgestrekte reizen terugkomt. En als een katje, die men in zijn mandje terugwerpt, wanneer men er genoeg van heeft, werd ze weer alleen gelaten, wanneer Max in Beieren, door avontuurslust zijn koffers pakt, weer vertrekt.’ Het vergelijk van de Zwitserse psychotherapeut Julia Onken laat twijfel opkomen in de zogenaamd gelukkige jeugd van de latere keizerin. ‘Dat is natuurlijk een diepe verwonding voor een kind. Het beste is een ononderbroken opvoeding en niet alleen aandacht, wanneer het de vader past.’ De geliefde vader, op wie Sisi in zoveel dingen leek, met wie ze zich goed en vertrouwd voelde, kwam en ging, wanneer het hem beviel. Hij zag in haar waarschijnlijk eerder een zoon, op wie hij trots kon zijn, dan een meisje. En zo werd Sisi in haar vrouwelijke indentiteit niet bevestigd en deed haar best, zo goed als het ging, een jongen te zijn. ‘Je bent zo wild en vrij als ik, en wanneer we niet van adel waren, dan waren we circusartiesten’, was de onbewuste opdracht, volgens Julia Onken, met die de kleine Beierse prinses opgroeide. De beiden zijn bondgenoten tegen de beledigde gouvernantes, die voortdurend proberen te verhinderen, dat Sisi in bomen klimt, met boerenjongens over de velden jaagt, met de honden ronddartelt en wild over de velden gallopeert. Tegelijkertijd is ze papa’s kleine, schattige meisje, surrogaat voor zijn ongeliefde vrouw, met wie hij onvrijwillig zijn leven deelt. ‘De kleine Elisabeth probeert wanhopig, de aandacht van haar vader te krijgen’, meent Julia Onken. ‘En voor een korte tijd lukt dat haar ook door bijvoorbeeld haar rijkunststukken: Kijk wat ik kan, alstublieft erken me, had zij gebedeld. Later zou ze proberen, met haar schoonheid de aandacht van haar man te krijgen. Wat haar uiteindelijk niet lukt. Zij wilde als mens geliefd en begrepen en niet als mooie vrouw vereerd worden.’

Sisi is voortdurend tussen haar ouders heen en weer geslingerd en leeft in een loyaliteitsconflict. Ze merkt, dat haar ouders niet van elkaar houden, ook als Max en Ludovica naar de buitenwereld toe de schijn bewaren en tot aan zijn dood bij elkaar blijven. Ook Sisi houdt van een huiselijke omgeving, die de anorexia, aan wat ze later (volgens Katrin Unterreiner niet geheel zeker) zou lijden, bevorderd. In tegenstelling tot boulemia, bij wie in de familie druk gestreden wordt, vind men bij anorexia dikwijls de situatie, waarin de ideale familie de schijn bewaart en elk confict vermijd.

Het ongeluk van haar moeder voor ogen, haar vrouwenlichaam door haar vader niet geaccepteerd, ervaart ze al als klein meisje, dat vrouw-zijn alleen vernedering en leed betekent, en weert zich een heel leven lang tegen haar vrouwelijke vormen, die ze door strenge vermageringskuren jongensachtig slank hield. Maar er is nog een andere onbewust motief, verklaart Julia Onken:’ Ik heb geen plaats in deze familie, dus verdwijn ik en maak ik mij helemaal dun. Later zou ze deze innerlijke houding door deze overtuiging aanvullen: De enige macht, die ik bezit, is mijn schoonheid, door haar win ik aan waarde.’
In de winter trekt men in het door Klenze gebouwde paleis Biederstein, die in de volksmond ook wel het Hertog Max paleis werd genoemd, aan de Engelse tuinen in München. Uiterlijk lijkt het paleis imposant en van binnen vertoont het enige aantrekkingskracht. Zo bijvoorbeeld de reusachtige balzaal, die door een 44 meter lange ‘Bacchusrand’ wordt gesierd. Of de zeer omvangrijke bibliotheek van de hertog. Of de manege op de binnenplaats, een soort privecircus.

Sisi werd steeds treurig, wanneer ze in het begin van de herfst het ongebonden landleven verlaten moest, om in de versteende, ongemoedelijke kilte van haar ouderlijk huis, de stijve gezelligheid en verveling van het stadsleven terug te keren. Ze houdt niet zo van het Münchner paleis: Ondanks de mooie fresco’s en schilderijen, waarmee het paleis opgesiert is, werken de strenge kamers koel en nuchter op haar. Maar door de grote manege, waar ze naar hartelust op haar paarden kan rijden, verzoent ze zich met lange winterverblijven in de residentie.
Het zijn de zomers in Possenhofen, die op Elisabeth’s karakter een sterke werking hebben. De familie van graaf Paumgarten, die in de buurt woont en vaak in het slot op bezoek komen, ontwikkelt zich tot een nauwere kennissenkring. Met de kleine David Paumgarten kan ze het uitstekend vinden en zijn zus Irene werd Sisi’s vriendin, wat ze ook zou blijven tot aan Sisi’s dood. Ze trekken samen door de donkere bossen, verliezen zich in dromerijen en delen hun kleine geheimpjes met elkaar.
Sisi had een hele menagerie in Possenhofen, een kleine ree, een lammetje, een paar konijntjes, op de pluimveehouderij speelt ze met de kippen. Altijd weer ontsnapt ze aan haar gouvernante, barones Luise Wulffen, en loopt in het park. De pianolessen, die ze moet afmaken, blijken al gauw vergeefse moeite, muziek ligt haar niet zo. Maar ze had wel tekentalent en grijpt vaak naar een blok en stiften. Ze tekent dieren, bomen, het slot, de bergtoppen van de Alpen, en als liefste landschappen. De natuur is in deze vroege kinderjaren Sisi’s grootste hartstocht: Ze onderneemt lange wandelingen door wijde weides of op afgelegen wegen, altijd in een simpel jurkje. Ook het enthousiasme voor het rijden heeft ze al als kind, door lucht en wijdte bedwelmt vergeet ze de tijd. De natuur brengt haar in verrukking met de glans van de aanbrekende dag en het geweldige schouwspel van de vlammende zonsondergang, met de kabbelende beekjes, de stille schatten van de bossen en de geheimzinnige watervlaktes. Een wereld aan haar voeten, een geheime tuin.

Tot de moeder, die altijd probeerde een beetje streng te zijn, komt Sisi niet echt nader, maar van de vader houdt ze des te meer, met een niet overtreffende enthousiasme. Zo zijn als hij – dat is wat ze wil. Ze idealiseert haar vader niet alleen, ze verafgood hem. In hem ziet ze een bijna onbereikbare voorbeeld aan haar innerlijke onafhankelijkheid, ontembare vrijheidsdrang, verachting van nietszeggende vormen en lust voor het alleenzijn. Hij schijnt het geweest te zijn, die haar een aan gevoelsmomenten overrijke kindheid en jeugd mogelijk had gemaakt en aan wie de volwassen Elisabeth altijd weemoedig terug zou denken. In haar herinnering zouden deze taferelen van ongestoord geluk levendig blijven: de klanken van de cither, de gloed van het morgenrood in de bergen, de zachtzure geur van de naaldbomen.
Lachtranen lopen bij vader en dochter over het gezicht, wanneer ze het ontzette gedrag van de gouvernantes vernemen, die als opgeschrikte kippen fladderen en kakelen. Het is ook werkelijk komisch, dat de gouvernantes in voortdurende onmacht-gevaar zweven, wanneer Sisi in de bomen klimt, met boerenjongens over de velden jaagt, met de honden ronddartelt en soortgelijke voor aanstaande vrouwen onwaardige bezigheden achterna gaat. Bij haar vader vindt Sisi altijd de grootste inschikkelijkheid. Het belangrijkste in het leven, dat waar het werkelijk op aankomt, ja eigenlijk leerde ze alles van hem. Hofisch- en welgemanierd gedrag, waarop haar moeder en de gouvernantes waard leggen, is voor zowel Sisi als hertog Max zeer verdacht.
Hertog Max, het grote voorbeeld, is wat Sisi nastreeft. Als een jongen ravot ze in het park van Possenhofen, ze rijdt fantastisch – alles behoorlijk ongewoon voor een jong meisje in haar tijd. Ze zet het ideaal van een modern sportief meisje voorop. Toch zorgt die sportiviteit bij haar voor een zekere hardheid en innerlijke onraakbaarheid.
De vader plant de liefde voor de natuur, voor het eenvoudige leven, tot onbekommerde omgang met dieren in de ziel van zijn kleine dochter. Het is haar hele trots, met hem gelijke tred te houden. En naast hem op de rug van een paard door veld en bos te jagen is haar grootste plezier. De vader is verrukt, wanneer het haar lukt, de wildste paarden te temmen (een eigenschap die Sisi in latere jaren ook zou laten zien), wanneer zij hem op zijn wandeltochten begeleid en met hem absoluut gevaarlijke klimpartijen in de bergen onderneemt. Ze zwemt, zoals ze het voor het eerst bij haar vader gezien had. Ja, ze loopt zelfs zoals hem: Later meent ze, haar verende manier van lopen ontstond alleen doordat ze door haar vader eraan gewend was haar voeten door de lange wandeltochten te trainen.
Ze hebben veel gemeenschappelijk, vele karaktereigenschappen, vele neigingen erft ze van hem. Ook uiterlijk lijken ze een beetje op elkaar. Wanneer men naar het portret van Max kijkt, zo stelt men bij hem dezelfde oogstand vast als bij Elisabeth. Verder lijkt ze veel op haar moeder. En ook wanneer Ludovica nooit de schoonheid van haar dochter bezitten mocht (alhoewel sommigen ook schrijven dat Ludovica in haar jonge jaren zelfs knapper was dan al haar dochters), het fijne ovaal van het gezicht, die mooie ongedwongen mond met de dunne lippen had Sisi van haar moeder.
Haar charme daarentegen komt duidelijk van de vader. En net zoals hij praat ze graag met de eenvoudige dorpsmensen. Af en toe zit ze met de hertog aan de tafels van boeren, hoort de vader cither spelen en zelfgemaakte rijmen zingen. Sisi erft zijn artistieke ambities, ook de neiging tot rusteloos rondzwerven.
De vader betekende voor Elisabeth veel, van al zijn kinderen staat zij hem innerlijk en geestelijk het dichste bij. Ze werd al gauw zijn lievelingsdochter, zijn ‘Kerstkind’, de onbetwiste favoriet van zijn hart. Alhoewel hertog Max zijn legitieme kinderen minder aandacht schenkt dan zijn buitenechtelijke kinderen. Sisi is een dochter geheel naar zijn smaak, met een gelijkaardige naturel en karakter, met de gelijke neigingen voor een ongebonden leven, met de gelijke warme zin voor de natuur en dezelfde afschuw tegen conventies en huichelarij. Toch voedt hertog Max zijn dochter niet op, hij is tegenover haar eerder een kameraad en vriend.
Natuurlijk is ze verrukt, wanneer hij in zijn eigen manege als kunstrijder optreedt, wanneer ze in de krant berichten over zijn belevenissen in verre landen leest. Toch merkt ze ook, wat zijn liefdeloze verstandhouding in het huwelijk aanricht, haar blijft de teleurstelling en het ongeluk in de ogen van haar moeder niet verborgen. En zo werd met toenemende desinteresse aan de familie Sisi’s verhouding met haar vader met de jaren tweeslachtiger.

Als Sisi twee jaar oud is, wordt haar jongere broer Karl Theodor geboren. Ze houdt innig van hem, hij is haar belangrijkste speelkameraad, toch kan haar niet ontgaan zijn, dat ‘Gackel’, zoals ze hem allen noemen, waardevoller is als zij. Als zoon en vervanging voor de erfgenaam komt hem in de familie een betere positie toe.
Maar er was nog een pijnlijk punt in het leven van de kleine Sisi: Ze was dan wel vaders lievelingsdochter, maar nog niet helemaal. ‘Hertog Max was een levensgenieter en hield niet zo van het familieleven. Alleen aan een tijdsindeling hield hij vast: ’s Middags was hij nooit te spreken, en al helemaal niet voor zijn vrouw en zijn acht echtelijke kinderen. Want dan at hij in zijn kamers met zijn beide onechtelijke dochters, die hij innig liefhad’, schrijft de historica Brigitte Hamann over het dagelijks leven van de hertog. Terwijl de beide meisjes bij hun vader in- en uitgaan mogen zoals hun het willen, moeten de echtelijke kinderen zich aanmelden. Sisi komt tot de innerlijke overtuiging: ‘Ik ben niets waard, zelfs mijn halfbroers en -zussen krijgen meer aandacht dan mij.’

Aan de oppervlakte laten de biografieën een gelukkige jeugd zien: ‘Ludovica laat haar kinderen vrij en ongebonden opgroeien, en zij hebben daar een opgewekte en zorgeloze jeugd, als men de heersende verhoudingen van de ouders tot elkaar had kunnen aanvaarden. … In de winter brachten ze met veel kabaal het paleis in München, in de zomer de tuinen van Possenhofen door. En de onwelkome leraren en opvoeders hebben het moeilijk met hun, omdat het leren juist niet hun lievelingsbezigheid, in het bijzonder van Sisi, is’, beschrijft Egon Caesar Conte Corti een familieleven, in wie zich allen, zelfs de kinderen, naar beste vermogen proberen de schijn te bewaren. Misschien hoort zelfs deze navertelde vrijheid tot de mythes, in elk geval past ze niet geheel bij Ludovica’s belangrijkste opvoedingsprincipes: ‘Surtout ne pas monter l’imagination’ (in geen geval de fantasie naar boven laten komen) en ‘il faut que les princesses apprennent à s’ennuyer avec grace’ (het is belangrijk, dat de prinsessen leren, zich met gratie te vervelen). Alleen wanneer boven alles geliefde vader na een paar maanden onverwacht opduikt, dan werd het leven voor een paar uren of dagen een paradijs. Biograaf Conte Corti meldde: ‘Vaak verscheen hertog Max onverwacht, precies tijdends de lesuren. Niet om te controleren, oh nee, in tegendeel, hij ontheft de kinderen voor een ogenblik van het leren en trekt met hen onder wild geschreeuw in de tuin, om vruchtbomen te plunderen, of hij brengt een klein orkest mee, en dan is er een concert en een dansfeestje. Is hij in een goede stemming, dan gebruiken de kinderen dat, om het vaderlijke gezag op te roepen, wanneer ze bij de moeder een of andere wens niet konden doorzetten.’
De kinderen van de hertogelijke familie zijn close met elkaar en begrijpen elkaar goed, van de gewoonlijke geruzies afgezien. Het problematische ouderlijk huis laat de band tussen de kinderen nog sterker worden. Ze ontwikkelen een samenzwerende omgang, vooral Karl Theodor, Sisi en Helene. Deze verbondenheid is zo vast, dat het alle levenstormen zou doorstaan. Ook later zouden ze nooit echt grote meningsverschillen hebben of echt van elkaar vervreemden. Als dat al gebeurde, dan duurde die periodes nooit lang. Schloß Possenhofen blijft voor allen het onbetwiste middelpunt en jarenlang zouden hier nog familiedagen plaatsvinden.

Elisabeth was natuurlijk niet het enigste kind. Het grote hertogelijke gezin, ondanks het slechte huwelijk van Ludovica en Max, bestond uit acht kinderen, eigenlijk tien, maar twee jongetjes stierfen jong. De eerste was Ludwig, geboren op 21 juni 1831. De tweede was Wilhelm, die werd geboren op 24 december 1832, maar overleed al op 13 februari 1833. De derde die ter wereld kwam was Helene, zij werd geboren op 4 april 1834 en zij had als bijnaam Nené. De vierde was natuurlijk Elisabeth, geboren op 24 december 1837, precies vijf jaar na de geboorte van haar inmiddels overleden broertje Wilhelm. Zij zou als bijnaam Sisi krijgen, wat misschien wel afkomt van de godin Isis, die haar vader leerde kennen op zijn reis naar de Orient een paar weken na de geboorte van Elisabeth. De vijfde was Karl Theodor, die op de wereld kwam op 9 augustus 1839 en die als bijnaam Gackl had, wat in het Nederlands haantje betekent. De zesde die op 4 oktober 1841 het levenslicht zag was Marie. De zevende was Mathilde, die werd geboren op 30 september 1843 en kreeg vanwege haar tederheid de bijnaam Spatz, wat in het Nederlands mus betekent. De achtste was Maximilian, die werd geboren en stierf op 8 december 1845. Of hij doodgeboren was of nog een paar uur leefde is mij niet bekend. De negende die het levenslicht zag op 22 februari 1847 was Sophie en tot slot de tiende, Max Emanuel, die werd geboren op 7 december 1849, had als bijnaam Mapperl. Volgens Ludovica ‘kon men nooit genoeg kinderen hebben’. De kinderen zorgden voor gezelschap. Bijna iedereen en alles kreeg een bijnaam. Enkele bijnamen zouden later nog voor een leuke anekdote zorgen, verteld door de keizerin haarzelf. Op een dag telegrafeert hertogin Ludovica: “Keizerin Elisabeth Ischl. Kom vanavond sneltrein met Gackl en Spatz. Louise.” De telegram ging in plaats van naar de Kaiservilla naar ‘Hotel Kaiserin Elisabeth’ in Ischl. Het hotel stuurde daarop een dienaar met twee vogelkooien naar de sneltrein uit München, om de aangekondigde vogels in ontvangst te nemen.

In de zomer ondernam Ludovica met de kinderen vaak kleine uitvluchten en reizen naar vakantieplaatsen, in gebergte. Nené, Sisi en Gackl komen mee naar Oostenrijk, naar de Aachensee, naar Jenbach en naar Innsbruck. Op 10 juni 1848, het revolutiejaar, treffen ze daar de keizerlijke familieleden uit Wenen. Bij dit bezoek zien Sisi en Franz Joseph elkaar voor de eerste keer. De achtienjarige aartshertog heeft maar weinig aandacht voor hen, maar amuseert zich om het elf jaar oude nichtje. Zijn broer Karl Ludwig is zeer van Sisi ondersteboven, hij wordt tijdens het gemeenschappelijke zomerverblijf sterfelijk verliefd op haar, volgt haar, waar ze ook heen gaat, en brengt haar bloemen en vruchten van zijn wandelingen mee.
Na de terugkeer uit Innsbruck beginnen de kinderen een kleine briefwisseling, Karl Ludwig schrijft Sisi in keurig schrift liefdevolle brieven, maakt haar complimenten. Hij laat geen twijfel mogelijk over zijn genegenheid, stuurt haar een ring en een roos, zoetigheid en eenmaal zelfs een horloge met ketting, die ze zich al lange tijd wenste. Voor alles bedankt ze braaf, zonder ooit meer als een hoffelijk woord voor hem over te hebben. Kleine, onschuldige jongemeisjesbrieven, vol idyllische beschrijvingen van haar belevenissen en praatjes over ditjes en datjes, niets ontroerends.
Sisi werd aanvankelijk moe van deze briefwisseling. Ze schijnt niet echt bijzonder geïnteresseerd te zijn in haar neef in Wenen. Met de jaren werd het schrijven zeldzamer, alhoewel Karl Ludwig ook nog steeds altijd liefdevol aan haar denkt en haar op Nieuwjaarsdag in 1850 een armband stuurt. Een weliswaar koel en inhoudsloze brief, altijd op mooi met rozen en bloemen omrand blauw papier, is Sisi’s antwoord.
In het jaar 1850 maakte Ludovica een reis naar Oberammergau. Vemoedelijk werden tussen haar een haar zus, aartshertogin Sophie, daar de eerst plannen gesmeden, hoe ze hun kinderen konden laten trouwen.
Hertog Max had ook onder het koningschap van Maximilian II geen plichten te vervullen. Ludovica genoot met haar kinderen in Possenhofen een volledig onafhankelijk, natuurverbonden leven. Maar ook in de winter in München gaf, afgezien van de maatschappelijke evenementen en theaterbezoeken, weinig afwisseling. Daarvoor zorgde net zoals vroeger de vader: In augustus 1852 ondernam hij met zijn vrouw, zijn zoon Karl Theodor en zijn dochters Helene en Elisabeth, een reis naar Bozen, Triest en Venetië.

In Sisi’s leven is er geen werkelijke geborgenheid. Een berustende moeder, die als vrouw afgedankt had, een onbetrouwbare vader, die zich als een groot kind gedroeg, geen verantwoording voor zijn familie neemt en nooit volwassen zou worden. Als ‘sandwichkind’ temidden van een schaar broers en zussen opgegroeid – ze is de vierde in de rij – , vind ze niet de aandacht die ze nodig is, en vlucht in fantasieën en dromen. Zoals het er in de werkelijkheid uitziet, vertrouwd de kleine hertogin alleen aan haar poëziealbum toe, dat vele jaren later een schokkend document voor haar stille ongeluk werd. Ze schrijft over haar verlangen naar de dood, geeft zich over aan de melancholie en zou het beeld van het gelukkige kind, dat Romy Schneider in de beroemde Sissi-films laat zien, helemaal niet rechtvaardigen.
Sisi droomt en dweept, rijd paard en dwaalt door het park en leert vertwijfeld weinig, alhoewel het leren haar niet zwaar valt. Alleen in vreemde talen lijkt ze geinteresseerd. Haar spraaktalent – ze zou later zowel Engels als Frans, alsook Hongaars en Grieks vloeiend spreken – werd al gauw duidelijk zichtbaar. Sisi praatte zelfs met haar zus Helene in het Engels, als een soort geheimtaal, omdat niemand anders Engels kon verstaan. Wat later in Ischl bij de keizerlijke familie ook voor ergenissen zou zorgen.

Als meisje al overwint ze door haar wezen de harten. Men zag haar overal graag. In Possenhofen kent ze iedereen, ze praat met een onvervalst Beiers dialect. Ze dartelt met haar temperamentvolle broers en zussen en de kinderen uit de buurt rond. De lange wintermaanden in München zijn ontspannender geworden: Het paleis van de hertog was met een nieuwe attractie komen aanzetten, er is een ‘Café chantant’, geheel ‘à la parisien’. Sisi houdt ervan, door de danszaal met zijn reusachtige omvang te springen, verbaasd blijft ze voor de echt royale scene van de ‘Bacchusrand’ staan, die ze vroeger altijd over het hoofd zag. In het hof voert hertog Max in zijn circus met echte loges en stalles tot vermaak van het Münchner gezelschap wilde charades, pantomimes, spektakel, rijkunststukken en clownerietjes op. En de kinderen dolden nu in de winter niet anders door het paleis als in Possenhofen, zwerfden door de dichtbesneeuwde Engelse tuinen en door de Bogenhausener Park.

Ook in München hadden de opvoeders, leraren en gouvernantes moeite de levendige schaar te temmen en tot leren uit te houden. De lesuren zijn ook te saai. Sisi kan nog minder stilzitten als haar broers en zussen, zij is de levendigste van allen en laat zich altijd licht afleiden. Zo gauw de lerares zich omdraait, dwaalt haar blik door het venster. Te vaak, klaagt barones Wulffen, heeft men haar letterlijk aan de stoel moeten binden. Rustig zitten kan ze alleen bij het tekenen, wanneer ze met haar schilder- en tekenleraar Johann Hueber bij elkaar zitten. En later, bij het schrijven van gedichten.
Dan komt een van de zeldzame dagen, wanneer haar vader in huis is. Hij had haar beloofd haar mee te nemen. Waarheen? Dat doet er niet toe. De moeder zegt niks. Ze trekt aan haar kleding, brengt het hier en daar weer in orde. Wat Sisi doet, daarop hield ze wel een oogje in het zeil. Maar het doen en laten van haar man is haar intussen onbelangrijk. Ze had van hem kunnen houden, als hij niet zo een zigeunerleven zou leiden. Nu hebben ze elkaar niet zoveel meer te zeggen. Sisi heeft dat precies door. Hoe konden haar ouders zo naast elkaar leven? Het huwelijk. Zo afschuwelijk! Ze denkt aan het grote bed, bemerkt een gevoel van afschuw, begrijpt het niet. Vandaag zal ze met haar vader erop uittrekken, dat voorspeld pret. Ludovica kijkt haar dochter liefdevol aan, die zo mooi kan zijn, wanneer ze lacht en blij is. Ze kijkt de beiden hoofdschuddend na. Wanneer zullen ze eindelijk ophouden, in de omstreken rond te rennen? Altijd deze landloperij.
Alleen in huis, beginnen haar gedachtes te drentelen. In z’n geheel kan ze met haar dochters tevreden zijn. Ze groeien op tot echte schoonheden, elk op hun eigen manier. Het een beetje ernstige gezicht van Helene werd zachter door het glanzen van haar mooie blauwgrijze ogen. Marie werd groot en slank, had een apart gezicht, door wie een onbedwingbare trots doorheen schemert. In uiterlijk lijkt ze veel op Sisi, maar de arrogantie/trots die Marie heeft, verschijnt ook op de foto’s. En vaak gaat men met de foto’s de mist in. Wordt Elisabeth voor Marie aangezien en andersom, maar aan de trots van Marie en de veel zachtere uitstralling van Sisi, kan men het onderscheid wel maken. Ook zit er iets verschil in de ogen en de mond. Mathilde, lichtvoetig en opgewekt, is een duivelsmeisje. Sophie neemt je onmiddelijk door het Delfts blauw van haar verdroomde blik gevangen en door de klank van haar ernstige stem.
En Sisi? Het opgroeiende meisje werd op een geheel eigenaardige manier mooi. Haar prachtige volle haar valt in lange kastanjebruine krullen, haar grote donkere ogen volgen je overal heen. Raadselachtige gedachtes schijnen uit deze ogen, laten iedereen de mysteries van haar ziel zien, die een onoplosbaar raadsel zouden blijven. Ze beloofd verrukkelijk te worden, hoewel ze met veertien jaar als het als minst ‘vooruitgaande’ lid van de familie gold. Op deze leeftijd werd Sisi door haar moeder naar hofballen meegenomen. Genoot het meisje in het eerste halfuur van het schitterende schouwspel, zo werd ze, nadat ze een aandeel aan ijs en suikergoed gekregen had, van vertwijfelende geeuwen en onrust bevangen. Elisabeth zou gedurende haar hele leven niet van openbare attracties en vermaak houden. Al als klein meisje op vierjarige leeftijd had men haar naar het theater meegenomen, waar ze zich natuurlijk dodelijk, maar volgens het moederlijke principe ‘avec grâce’, vervelen moest. Toch speelt ze geamuseerd en heimelijk, zogauw de lampen uitgingen, onder de logéleuning met haar poppen – een anekdote die Elisabeth als volwassene vaak verteld.

Al op deze leeftijd treedt naast Sisi’s natuurlijkheid iets anders in het daglicht: ‘de hersenschimmen van jong meisjesbloesem’, een hang naar dromerij, tot poëtische dweperij. Sisi had een romantische aanleg en een levendige fantasie. Wanneer ze ook overmoediger en onhandelbarer is als al haar broers en zussen, zo vlucht ze tegelijk in een ontoegankelijke wereld van verbeeldingskracht op haar eenzame zwerftochten door de herfstachtige melancholische landschap rond de Starnbergersee. Ze had een open oor en gevoelige gemoed voor de sages en legendes, zwerft met hete wangen door de rijk geïllustreerde zalen van het ouderlijk paleis, door de tuinen van Possenhofen met haar verborgen grotten, haar marmeren figuren en witte beelden van de godinnen, die de weg omzomen.
Haar jongensachtige hardheid, die ze door rijden en lopen verwerft, contrasteert ook echt onverwachts met de bloesems van haar eerste meisjesdromen. En omdat ze later haar liefdesgevoelens eveneens in de fantasie verplaatst en ze daar werkelijk beleefd, komt ze in dit opzicht nooit over de dromen uit haar jeugd echt naar buiten.
In april 1853 werd Sisi het vormsel toegediend, tocht valt over de feestelijkheden een schaduw, omdat haar liefste kindervriend David zwaar ziek is, hij had een zware longonsteking, en sterft. De diep aangegrepen prinses ontmoet voor het eerst de dood, die haar vreselijke begeleider door haar hele leven zou worden. Ze had een klein geheim boek, in wie ze treurige gedichten schrijft:

Du bist so jung gestorben
Und gingst so rein zu Ruh’,
Ach wär’ mit dir gestorben,
Im Himmel ich wie du.

 

Vertaling:
Je bent zo jong gestorven
En ging zo rein te rust,
Ach was ik met jou gestorven,
In de hemel ik als jij.

Lachen en huilen, zo dicht bij elkaar. Hoe vroeg en machtig is dit gevoel, op de aarde niet thuis te kunnen zijn, ze zou zich hem nooit aan dit gevoel kunnen ontrekken. Een onbestemd doodsverlangen gaat door haar jonge ziel, wereldsmart, liefdeswensen, enthousiasme wisselen in haar briefen en gedichten af.
Sisi’s eerste, zoete aanbidding trof graaf Richard von F. (in andere boeken ook bestempelt als Richard S.), een knappe jonge officier. De heimelijk uitverkorene, die ze aan het hof van haar ouders in München leert kennen, had haar door de glans van zijn ogen en de charme van zijn stem volkomen betoverd. Niemand weet ervan, alleen haar kleine boek vertrouwd ze in de winter van 1852/53 haar eerste liefde toe. Tot de goede eigenschappen, die ze van haar vader geërfd had, behoort de literaire gave. s’ Avonds schrijft ze de heimelijk verliefde gedichten in haar boek, gevoelige versen van liefde en verlangen, maar iets melancholisch voor het meisje, dat men verder alleen als vrolijk en levenslustig meende te kennen. Het is echter ook geen vrolijk verhaal, deze ontkiemdende hartenliefde van de jonge prinses. Haar eerste liefdesopwellingen klinken zo in het gedicht:

Oh, ihr dunkelbraunen Augen,
Lang hab ich euch angesehen.
Und nun wil mir eurer Bildnis
Nicht mehr aus dem herzen gehen…

 

Vertaling:
Oh, jouw donkerbruine ogen,
Lang heb ik jullie gezien,
En nu wil mij jullie beeltenis
Niet meer uit het hart gaan…

Sisi ziet de jonge man bijna dagelijks, toch praten ze nauwelijks met elkaar, de aangebedene had waarschijnlijk geen enkel vermoeden ervan, hoe diep hij Sisi in haar hart had getroffen. Dat ervaart alleen haar ‘poëziealbum’ en jaloers verbergt ze deze gedichten in het boekje, dat ze in de schuiflade van haar bureau verstopt. Maar misschien hebben de oplichtende ogen van het jonge meisje het hem verraden. Wanneer hij in de slottuin in München voorbijgaat – als officier schijnt hij in de hofdienst daar voorbij te leiden -, staat Sisi heimelijk achter een hek en wacht met kloppend hart op hem. Ze bezit ook portret van hem, niemand weet daarvan. Alleen Marie, haar geliefde zus, werd vermoedelijk door haar in vertrouwen genomen, als ze deze idyllische romance beleefd. Uiteindelijk lukt het Sisi, de jonge man te ontmoeten om hem haar liefde te bekennen.
En voor de eerste keer ervaart Elisabeth, wat het is om te lijden. Op een dag vind haar jonge liefdesdroom een plotseling einde. Haar onschuldige hartstocht werd ontdekt: Hertogin Ludovica komt al gauw achter Sisi’s eerste, volkomen ongevaarlijke dweperij, kaffert haar uit en verbied haar streng, ooit deze jonge officier weer te zien, ook al is het van veraf. Richard is als partij volledig niet voor discussie vatbaar, de moeder voelt zich genoodzaakt, voor de zekerheid een stokje voor de flirt te steken. Dan wordt hij uit de hofdienst verwijderd en ver weg gestuurd. Natuurlijk vergeet Sisi hem niet. Hoe kon ze? Ook haar eerste liefdespijn vat ze in een gedicht:

Vorbei

Du frische junge Liebe,
So blühend wie der Mai,
Nun ist der Herbst gekommen
Und alles ist vorbei.

 

Und nun ist er mir so ferne.
Und ich sehe ihn gar nie.
Ach, ich wollt zu ihm wohl gerne,
Wüßt’ ich nur, wohin und wie.

 

Vertaling:
Voorbij

Jij frisse jonge liefde.
Zo bloeiend als die mei,
Nu is de herfst gekomen
En alles is voorbij

 

En nu is hij zo ver bij mij vandaan.
En ik zie hem helemaal niet.
Ach, ik wil naar hem zo graag,
Wist ik maar, waarheen en hoe.

Een vergeefse hoop, want enige maanden later keert de jonge man ziek terug, kort daarop sterft hij. Sisi ervaart het bij toeval en treurt in stilte lang om hem. Ze voelt zich schuldig, had Richard niet vanwege haar het hof moeten verlaten? Alleen de versen verraden de eerste diepe pijn in haar hart:

An Ihn

 

Die Würfel sind gefallen.
Ach, Richard ist nich mehr!
Die Trauerglocken schallen-
Oh, hab Erbarmen, Herr!

 

Es steht am kleinen Fenster
Die blondgelockte Maid.
Es rühr selbst die Gespenster
Ihr banges Herzeleid.

 

Vertaling:
Aan hem

 

De teerling is geworpen.
Ach, Richard is niet meer!
De rouwklokken galmen-
Oh, heb mededogen, Heer!

 

Het staat aan het kleine venster
Die blondgelokte meid.
Het roert zelf die spoken
Haar bange harteleed

Sisi doorleefde voor de eerste keer zwaarmoedige stemmingen, sluit zich in haar kamer op, huilt en schrijft zich haar verdriet van de ziel. Opnieuw had de dood een mens ontnomen, die ze lief had. Natuurlijk is ze nog te jong, om het tragische van het leven te begrijpen, toch in gedichten uit haar puberteit vallen de altijd weer terugkerende gedachtes over de dood en het sterven op. Deze melancholie schijnt dieper te gaan als de incidentele plotseling opkomend gevoel van ontstemming, zoals meisjes ervaren, die hun kindheid achter hun laten en vrouw worden. Ze zijn zo weinig met Sisi’s anders zo guitige, vrolijke wezen, met haar hartelijke lach en de ondeugende streken te verenigen, tot die daar haar altijd opgelegd is. Maar ook dat had ze van haar vader, die – hoewel vaak zo vrolijk en optimistisch – vaak door zware depressies geteisterd word. En net zoals hertog Max had Elisabeth deze hang, zich bij deprimerende ervaringen volledig in zichzelf terug te trekken en innerlijk niemand meer bij zich toe te laten.
Toch had de vijftienjarige de smaak van liefde te pakken, wordt al snel verliefd op een nieuwe geliefde, zoals men al gauw in het geheime boekje ervaren kan: De verkorene is deze keer de jongere graaf ‘F.R.’:

Zu lang hab’ ich gewendet
Mein Aug’ aufs Antlitz dein,
Und nun bin ich geblendet
Von seiner Schönheit Schein

 

Vertaling:
Te lang heb ik gekeerd
Mijn ogen op jouw gelaat
En nu ben ik verblind
Van zijn schoonheid schijn.

 

Dag en nacht denkt ze alleen aan hem:

Wenn der erste Sonnenstrahl
Mich des Morgens grußt
Frage ich ihn jedesmal,
Ob er Dich geküßt.

 

Und den goldenen Mondenschein
Bitt ich jede Nacht,
Daß von mir er insgeheim
Dir viel Liebes sagt.

 

Vertaling:
Wanneer de eerste zonnestraal
Mij in de morgen groet
Vraag ik hen elke maal,
Of hij jou gekust.

 

En de gouden maanschijn
Smeek ik elke nacht,
Dat van mij hij in ’t geheim
Jou veel liefde zegt.

Naast het woord ‘Mondenschein’ tekent Sisi fijn keurig het gezicht van de goede, oude maan. Ongelukkigerwijze werd ze echter niet in dezelfde mate teruggeliefd. De aangebedene laat haar dweperij onopgemerkt, het duurt niet lang, en hij onttrekt zich aan haar met ontwijkende complimenten. En weer werd Sisi’s liefde ‘ongelukkig’:

Denn ach, ich kann ja nimmer hoffen
Daß liebend je Du dich mir neigst.
Die harte Wahrheit sah ich offen
’s ist Freundlichkeit nu, was Du zeigst.

 

Vertaling:
Dan ach, ik kan ja nooit hopen
Dat liefhebbend ooit jij mij neigt.
De harde waarheid zag ik open
’t is vriendelijk nu, wat jij vertoond.

Troost vind Sisi in de natuur en bij haar vele dieren. Op het zomerse landgoed Schloß Possenhofen zorgt ze voor haar ree, een lam, koddige konijnen en noemt zelfs een parelhoender haar eigen. Achter de fassade van een ‘gezond boerenmeisje’ leeft een vereenzaamd kind, dat door niemand werkelijk begrepen werd. Later, als ze haar Griekse voorlezer Constantin Christomanos op het eiland Corfu altijd weer over de dood verteld, schrijft hij treurig in zijn dagboek:’Eigenlijk is ze nooit opgehouden te zijn, wie zij was. Door haar zee had zij als zowel haar zussen de gedachtes van het verdrinken gekregen…’
Ludovica had geen idee van het diepe ongeluk van haar dochter, bovendien had ze andere zorgen. Alhoewel ze tegen haar eigen wil in ongelukkig uitgehuwelijkt was, denkt ze er niet aan, voor haar dochter dit systeem in twijfel te trekken, en nadenkt over hoe ze zo goed mogelijk uit te huwelijken is. Sisi is niet bijzonder knap. Het zou zwaar worden een passende man voor haar te vinden. En het is juist meer te danken aan de interesse van de keizer, dat de kleine hertogin na haar verloving plotseling als schoonheid beschreven werd, de beschrijvingen van historici spreken in ieder geval daartegen:’De bruid was tot nu toe niemand bijzonder opgevallen. Ze was een nauwelijks ontwikkeld, nog lang niet opgegroeide schuchter kind met donkerblonde lange vlechten, met een zeer slanke gestalte en lichtbruine, ietwat melancholisch kijkende ogen… Ze sprak met een Beiers dialect en had onder de boerenkinderen in de buurt goede vrienden’, bericht Brigitte Hamann nuchter.

Naast Helene, haar veel knappere, ontwikkelde zus, die als toekomstige bruid van de keizer van Oostenrijk, koning van Hongarije en Bohemen, koning van de Lombardij en Venetië, van Dalmatië, Kroatië, Slowenië, Galicië etc. opgevoed werd, is Elisabeth het weinig in aandacht geschonken muurbloempje.
De onbereikbare vader geeft haar een erfenis mee, met wie ze later in het hof alleen moeilijken zal krijgen: de verachting voor de adel en de monarchie. Hij stelt vaak zijn democratische overtuigingen tentoon, en Sisi laat haar loyaliteit naar hem ook in haar politieke meningen zien. Ze kenmerkt de monarchie als ‘vergankelijke pracht geraamte’ en als eikenboom, die vallen moet, omdat hij zich overleefd had. Niet op de laatste plaats op grond van haar republikaanse houding vind ze in haar nieuwe familie geen plaats en werd, gemeenschappelijk met haar zoon Rudolf, die haar opvattingen deelt, tot onbegrepen buitenstaanster.
Zo blijft ook Elisabeth’s retrospectieve zelfbeeld tegenstrijdig. Dicht ze in haar ‘Winterliedern 1887’ zelfverzekerd: ‘Ik ben een zondagskind, een kind van de zon’, zo verklaart ze vergelijkbaar bijgelovig tegen haar nicht Marie Larisch dat haar eigen alsook het ongeluk van andere familieleden uit een vloek, die haar moeder voor het huwelijk in 1828 uitgesproken zou hebben, voortkwam. Ook in augustus 1887 neergeschreven poetische bekentenis laat zich op haar jeugd betrekken: ‘Want te vluchten die familie,/ Was mijn drang van vanouds toch.’

Er zijn maar weinig karakteriseringen van Elisabeth als kind toegankelijk. Amélie von Urach geeft Ludovica’s uitspraken weer, ‘ze is een bijzonder goed kind geweest; vaak brak ze een stuk koek van de mond af, om het aan haar kamervrouw te geven’. In een brief aan gravin Théodolinde von Württemberg beschrijft de moeder in 1846 Sisi als zacht ‘en van zeer gewetensvolle natuur.’ Richard Sexau wijst in zijn biografie over Karl Theodor op, dat Sisi zich nauw aan haar anderhalf jaar jongere broer Gackel aangesloten had. Hoe goed ze daarmee terechtkomt, dat Karl Theodor Ludovica’s lieveling was, moet open blijven. Egon Caesar Conte Corti, die in zijn biografie met vandaag de dag niet meer toegankelijke bronnen en niet meer controleerbare uitspraken van tijdgenoten benutte, karakteriseert Elisabeth als zacht en overgevoelig, maar charmant meisje. Gek op haar dieren, ‘voortdurend in beweging’, als liefste in de vrije natuur, had Elisabeth maar weinig voor het leren over gehad; Alleen bij het tekenen had ze stil gezeten.
Het is moeilijk de psychologische kant uit Elisabeth’s jeugd te beschrijven. Vast staat wel dat noch de ouders, noch de opvoeders van Elisabeth haar een stabiel gevoel van eigenwaarde meegaven. Menig spreekt ook ervoor, dat zij zich nooit uit de symbiotische relatie tot haar moeder losmaakte: De levenslange grote ‘aanhankelijkheid’ aan ‘Mimi’ was volgens Amélie von Urach ‘met een eigen verzetsgeest gepaard (…), die haar daartoe dreef’, Ludovica ‘dingen te zeggen, die haar pijn deden of op zijn minst verbaasde’. Dat Elisabeth haar haat later tegen de schoonmoeder richtte, zou haar misschien ook daarvoor behoeden, zich met de relatie tot haar moeder uiteen te zetten.

Ondanks de eerste dweperijen slaat de interesse van de vijftienjarige geenzins op een toekomstige huwelijkspartner. Ze loopt warmer voor, zoals ze op 29 april 1853 aan haar opvoedster grafind Hundt-Wulffen schrijft, paardrijden: ‘Sinds korte tijd nemen Helene, gravin Ottong en ik rijlessen. U kunt wel bedenken, hoeveel plezier dat ons doet… Alhoewel ik eerst drie lessen heb gehad, ben ik toch al op drie paarden gekomen en mag vanaf nu alleen op Lady rijden…’
Alhoewel Elisabeth nog zeer kindelijk was en zich voor het eerst van een plomp uitziende ‘boerenmeid’ tot een vrouw ontwikkelt, zocht haar moeder voor haar een volgens haar stand passende bruidegom. Aan haar zuster koningin Marie van Saksen schrijft Ludovica op 7 april 1853: ‘Sisi bij jullie te weten, zou ik evenwel als een grote geluk aanzien, (…) maar dat is jammer genoeg niet waarschijnlijk – want de enige, die te hopen is, zou bezwaarlijk aan haar denken; eerst is de vraag, of zij hem bevalt en dan zal hij waarschijnlijk op vermogen zien …. knap is zij, omdat ze zeer fris is, ze heeft echter geen enkele knappe trekken’. Van de reis naar Dresden kwam Elisabeth zonder een toekomstige man terug.
Wanneer ze in augustus 1853 met haar moeder en haar zus Helene naar Ischl ging, was ze noch emotioneel voorbereid op een partnerschap met een man, noch volwassen genoeg, om op de opgaven van een keizerin over te nemen.

Bronnen:
Sisi. Mythos und Warheit; Katrin Unterreiner
Elisabeth von Österreich, Lisbeth Exner
Diana & Sisi. Zwei Frauen – ein Schicksal; Renate Daimler
Elisabeth. Das Buch ihres Lebens; Johannes Thiele

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *