Elisabeth en Hongarije

Koningin Elisabeth van Hongarije
Erzsébet Királyné. Koningin Elisabeth van Hongarije.
De jurk die Elisabeth hier draagt is ontworpen door Charles Frederick Worth. Hij ontwierp ook de beroemde ‘sterrenjurk’.

Sinds het onfortuinlijke einde van de veldtocht tegen Italië in 1859 was men in Hongarije voortdurend blijven streven naar een herstel van de oude, historische rechten en van de grondwet van 1848. In Boedapest waren tegen het einde van 1865 de meeste vaderlandslievende Hongaren het onderling wel eens geworden. Men wilde zich niet losmaken van Oostenrijk, maar toch de Hongaarse eisen handhaven. Aan de spits van deze beweging stond de toen tweeenzestigjarige Frans Deak, een advocaat, die om zijn nuchtere politieke inzichten en verstandige houding tijdens de revolutie, zijn bescheidenheid, rechtschapenheid en redenaarstalenten de algemene achting genoot. Hij was het ook, die het eerst de Hongaarse voorwaarden in de pers kenbaar maakte. Toen Kossuth Hongarije destijds met geweld van Oostenrijk wilde losscheuren, was het Deak geweest, die met nadruk beweerde, dat een volledige afscheiding voor Hongarije de dood zou betekenen en wel een dood zonder opstanding. Om deze opvattingen was hij de aangewezen bemiddelaar.

Een medestander van Deak was thans ook graaf Gyula Andrassy, die door zijn goede vriendin, Ida Ferenczy, nauwkeurig op de hoogte werd gehouden van de Hongaarse sympathieën van de keizerin. Hij ontmoette in deze tijd Elisabeth voor het eerst op een hoffeest en geraakte diep onder de indruk van haar lieftalligheid en schoonheid. Elisabeth van haar kant had, vooral door Ida Ferenczy, veel van deze Hongaarse balling gehoord en de grote, slanke man in zijn met bont omzoomde uniform maakte een goede indruk op haar. Andrassy zag in de keizerin, die zoveel voor Hongarije voelde, hét middel om Frans Jozef voor de plannen van zijn medestanders te winnen. Niemand anders dan Elisabeth zou dit kunnen bereiken. Want nog steeds had Frans Jozef de overtuiging, dat de macht en de veiligheid der monarchie uitsluitend op een centralisatie onder Oostenrijks bewind konden berusten. Toch was hij wel geneigd aan de wensen der Hongaarse natie tegemoet te komen, echter op voorwaarde, dat het leger en de financiële en buitenlandse politiek gemeenschappelijk zouden blijven. In de winter van 1865 waren de onderhandelingen in volle gang. De Hongaarse Rijksdag werd bijeengeroepen en Frans Jozef begaf zich voor de opening er van op 12 December alleen naar Boedapest. De zeventiende ontving hij deputaties van Hogerhuis en Rijksdag, gekomen om uit te spreken, hoezeer men er in Hongarije naar verlangde binnenkort naast de koning (de titel „keizer” gold niet voor Hongarije) ook „de vereerde en innig geliefde moeder van het land, de verheven koningin” te mogen begroeten. Frans Jozef knikte instemmend. Deak stelde voor, ditmaal afgevaardigden der beide huizen naar Oostenrijk te zenden om Elisabeth met haar verjaardag geluk te wensen. Zij verbleef toen juist in het ouderlijk huis te München; de ontvangst van de deputatie werd daarom tot 8 Januari uitgesteld en trok hierdoor nog meer de aandacht. Onder aanvoering van de kardinaal-primaat van Hongarije verschenen nu in de Hofburg de meest allen tot de hoogste adel behorende afgevaardigden in hun schilderachtige magnatenkleding. Guyla Andrassy stak boven alle anderen uit. Elisabeth ontving de heren in gezelschap van haar opperhofmeesteres en acht pas benoemde Hongaarse „dames du palais”. Zij was in Hongaars nationaal kostuum gekleed, hetgeen haar schoonheid nog meer deed uitkomen. Na de toespraak van de kardinaal-primaat antwoordde Elisabeth tot ieders verrassing in het Hongaars, helder en duidelijk, met slechts een licht, Engels-aandoend accent. Zij dankte in hartelijke bewoordingen voor de komst van het gezelschap en beloofde naar Boedapest te zullen komen. Geen wonder, dat een stormachtig gejubel op haar woorden volgde! Nog nooit had de marmeren zaal van de Hofburg weergalmd van een zo donderend ,,Eljén” (hoera) als ditmaal! Op 29 Januari hield het „erfelijk koningspaar” – de officiële titel van Frans Jozef en Elisabeth, zolang zij nog niet tot koning en koningin vaa Hongarije gekroond waren – zijn intocht in Boedapest. Een stoet van uitgelezen ruiters ging op prachtige paarden de koets vooraf.

Toch was de taak van het koninklijk paar verre van gemakkelijk. Allereerst moest een einde worden gemaakt aan de volkomen uitsluiting van Oostenrijkers uit de Hongaarse kringen. Sinds de onderdrukking der revolutie in 1849 had geen Oostenrijker in uniform meer toegang gehad tot het nationale Casino of welke voorname salon ook. Op zo hartelijke wijze werd door de beide huizen der volksvertegenwoordiging op l Februari aan Elisabeth dank gebracht voor haar komst, dat zij begreep niet met overdreven hoffelijkheid te doen te hebben, maar met echte, warme gevoelens. Men hield in Hongarije van haar en zo iets was zij in Oostenrijk in haar omgeving waarlijk niet gewend. Daar voelde ze zich steeds door scherpe kritiek omringd, zodat ze bij voorbaat al een strijdvaardige of afwerende houding aannam. De sympathie van het Hongaarse volk, zo ondubbelzinnig getoond, ontroerde haar en wekte ook haar genegenheid. Elisabeth nam het vaste besluit voor dit ridderlijke volk in goede en slechte dagen op te komen en het deze genegenheid te vergoeden. Zij antwoordde op alle redevoeringen in het Hongaars en overal was de bijval stormachtig. Zo gunstig was de indruk, die zij maakte, dat Frans Jozefs woorden niet eens verkoelend werkten – wat zij anders zeker gedaan zouden hebben, want hij toonde zich zeer gereserveerd en waarschuwde tegen al te hoge verwachtingen of wensen, die niet in te willigen waren.

Vermoeiend was dit leven wel en soms beklaagde Elisabeth zich over het pantser van verplichtingen, dat haar ook hier omgaf. Huilbuien waren niet zeldzaam en herinnerden aan een vorige instorting. Toch was Frans Jozef, niet minder dan Elisabeth zelf, er zeer verheugd over, dat de keizerin zo volkomen het hart van Hongarije gestolen had. Hongaars werd nu aan het hof de grote mode en iedereen radbraakte deze moeilijke taal. Elke invrijheidstelling of teruggave van goederen werd aan Elisabeths goede invloed toegeschreven, maar wanneer Frans Jozef te verstaan gaf, dat hij alle wensen van het Hongaarse volk nog niet kon inwilligen, gaf men het Weense hof en de aartshertogin Sophie de schuld. Men wist in Wenen overigens nog niet goed wat te denken van het bezoek aan Boedapest. In een brief aan zijn moeder verzekerde Frans Jozef dat het in Hongarije langzaam maar zeker in orde zou komen, met vastheid enerzijds, vertrouwen, vriendelijkheid en een juiste behandeling van de Hongaarse volksaard anderzijds. „Sissi is een grote hulp voor mij door haar beleefdheid, haar tact en evenwicht, haar beheersing van het Hongaars.” Hoe ver Elisabeths liefde voor dit landsdeel ging, besefte de keizer echter nog niet. Bij een bezoek aan een kostschool te Boedapest sprak zij de overste aan in het Hongaars. Deze was echter een Italiaanse en kende de landstaal niet. „Ik hoop, dat u mij, als ik de volgende keer kom, in de taal van het land zult antwoorden,” zeide Elisabeth. Na ‘n dag of veertien verscheen zij weer. De overste ging ijlings naar bed en liet zich wegens ziekte verontschuldigen, maar Elisabeth zocht haar toch op, zei enige Hongaarse woorden, die niet verstaan werden, en verliet het vertrek. Kort daarop werd de overste verplaatst! Tegen Andrassy met wie de keizerin het best kon praten, zei ze eens heel spontaan: „Ik spreek nu vertrouwelijk met u en kan dus zeggen, wat ik niet tegen iedereen zou zeggen. Als het met de zaak van de keizer slecht gaat in Italië, vind ik dat naar, maar wanneer dat het geval zou zijn in Hongarije, wordt het mijn dood.” Geen wonder, dat men haar onbeperkt en spontaan bewonderde. Na een verblijf van zes weken verliet het koninklijk paar Boedapest. Aan het station nam Elisabeth afscheid met de woorden: ,,Ik hoop spoedig weer in mijn dierbaar, dierbaar Hongarije te kunnen terugkeren.” Zij legde zo’n warme klank in deze woorden, dat de omstanders tranen in de ogen kregen.

In Wenen trachtte men uit alle macht de groeiende Hongaarse invloed tegen te gaan. De voorlezeres Ida Ferenczy werd er zelfs van beschuldigd door „linkse elementen” te zijn opgehitst om de keizerin te beïnvloeden! Maar overigens was de toegespitste controverse tussen Wenen en Boedapest niets nieuws en in dit stadium ook niet verontrustend. Véél erger was de verhouding met Duitsland. Daar was het vraagstuk van de opperheerschappij reeds aan de orde gekomen. De energieke Bis-marck wilde de knoop doorhakken en desnoods met de wapens aan de historische Oostenrijkse invloed op de Duitse staten een einde maken en de vestiging van een Duits rijk bevorderen. Reeds was gebleken, dat de „ijzeren kanselier” een bondgenootschap met Italië had gesloten, en in Mei 1866 werd het duidelijk, dat een oorlog onvermijdelijk zou zijn. Verschrikt vroeg Elisabeth zich af, welke gevolgen deze toestand zou hebben in haar geboorteland. Zij wist wel, dat Lodewijk II niet mee zou doen met Bismarks oorlogsplannen, maar of hij een goed bondgenoot voor Oostenrijk zou zijn, stond te bezien. De gezant Blome schreef op 28 Maart: „De jonge koning volhardt in zijn trage levenswijze en ontvangt feitelijk alleen de pianist Bülow. Hij zegt: ‘Ik wil geen oorlog’ en bekommert zich verder om niets.” Onder de gegeven omstandigheden wilde Elisabeth Wenen niet verlaten, hoezeer ze ook naar reizen verlangde. Alleen werd het hof in April tot haar grote vreugde van de Hofburg naar Schönbrunn verplaatst. Aan de gebruikelijke rit door de Prater op l Mei wist zij zich ditmaal te onttrekken. Zij was daar blij om, zoals uit een briefje aan haar moeder blijkt.

Op 3 Mei was het al zover, dat Frans Jozef zijn moeder moest meedelen zich niet te kunnen voorstellen, hoe een oorlog nog vermeden zou kunnen worden zonder eerverlies en volledige prijsgave van Oostenrijk als grote mogendheid. In deze zorglijke dagen was de enige ontspanning van het keizerlijk paar op Zondagmiddag een wandeling door de bossen te maken. Op 8 Mei mobiliseerde Pruisen en ook Oostenrijk begon daarmee in het noorden en zuiden. Elisabeths zwager, de onttroonde koning van Napels, wilde in zijn vroeger koninkrijk een opstand organiseren, voor het geval Italië met Pruisen zou samengaan. Op zijn verzoek kreeg hij hiervoor een millioen frank van Frans Jozef, ofschoon deze er weinig heil in zag. De Beierse koning trok zich inmiddels van al deze oorlogsvoorbereidingen niets aan en reisde op 21 Mei naar Zwitserland om Richard Wagner op te zoeken. Elisabeth vond terecht, dat Lodewijk zich toch wel eens een beetje meer om de regering mocht bekommeren in deze tijd! Op 15 Juni 1866 werd de oorlog verklaard en reeds de volgende dag trokken de Pruisische troepen de grens over. Nerveus las Elisabeth de kranten en schreef dagelijks aan haar man. Ze was nu nog veel ongeruster dan in 1859, toen zij althans geen zorgen om haar broers hoefde te hebben. Beieren had namelijk, zij het zonder geestdrift en onder morele druk, de zijde van Oostenrijk gekozen; zoals Blome schreef: „omdat het wegens zijn verplichtingen, voortvloeiend uit het bestaande verdrag, en de openbare mening niet anders kan.” Had de beslissing over oorlog en vrede van Lodewijk II van Beieren afgehangen, dan was er zeker niets van oorlog gekomen. Juist nu trok hij zich namelijk op zijn ,,rozeneiland” in het Starnbergermeer terug en bleef er drie dagen lang onbereikbaar voor zijn ministers. Het enige, dat men van hem merkte, was, dat hij op een avond vuurwerk afstak. En dat in deze kritieke dagen! „Men begint de koning voor krankzinnig te houden,” rapporteerde Blome, de Oostenrijkse gezant, aan Frans Jozef.

Nu het ernst werd, hield de keizerin het in Ischl niet langer uit. Zij liet er de kinderen achter, beloofde hun geregeld te zullen schrijven en keerde op 29 Juni naar Wenen terug. Evenals in 1859 wilde zij in Laxenburg een hospitaal inrichten. De omgeving van aartshertogin Sophie sloeg haar activiteit sceptisch gade. „Enfin, zij is tenminste hier,” was de conclusie. Men deed haar hiermee onrecht, want Elisabeth, hoe lastig en veeleisend zij in rustige tijden ook zijn mocht, werd sterk, moedig, wils-krachtig en onbaatzuchtig, zodra de omstandigheden moeilijk waren. Zij deed alles om haar man terzijde te staan en schreef lange brieven aan de achtjarige, ver boven zijn leeftijd ontwikkelde kroonprins Rudolf. Zodra de keizer een ogenblik vrij had, hield zij hem gezelschap. Haar overige tijd ging heen met bezoeken aan de hospitalen, waar zij onvermoeibaar was in het toespreken en troosten van de gewonden. Zij toonde zich bij zulke gelegenheden werkelijk een landsmoeder en was met ieders lot persoonlijk begaan. Toen een Zigeuner, wiens rechterarm geamputeerd moest worden, maar die weigerde zich te laten opereren, in zijn angst als voorwaarde stelde: „Ik zal het laten doen, als de keizerin er bij is,” ging Elisabeth bij zijn bed zitten, hield zijn gezonde hand met oneindig medelijden vast en sprak hem kalmerend toe, tot de narcose haar werking had gedaan. Toen ging zij haar ronde door de andere zalen doen en vroeg haar te willen waarschuwen, als de operatie voorbij zou zijn. Het eerste, dat de Zigeuner zag, toen hij bij bewustzijn kwam, waren de vriendelijke trekken van zijn keizerin. Is het wonder, dat men haar in de hospitalen als een weldoende engel beschouwde?

Intussen werden de frontberichten steeds slechter. Op 3 Juli kwam de tijding van de nederlaag bij Königgratz. Tot laat in de nacht bleef het keizerlijk paar op nieuwe Jobstijdingen wachten. Frans Jozef was bewonderenswaardig kalm en beheerst en Elisabeth toonde zich, zoals altijd, wanneer het er op aankwam, van haar beste kant. Op 5 Juli schreef Elisabeth aan haar moeder: „We leven als in een droom … de éne slag na de andere! En dan nog op God te blijven vertrouwen! Ik heb er geen vermoeden van, wat er allemaal nog gebeuren kan. Het is maar het beste steeds bezig te zijn om niet te tobben. De ochtenden breng ik in de hospitalen door. Vooral bij de Hongaarse soldaten ben ik graag. Die arme kerels hebben hier niemand, die met hen kan spreken . . . De keizer is zó overladen met werkzaamheden, dat het werkelijk zijn enige ontspanning is ‘s avonds samen een beetje voor het open raam te zitten.” Het keizerspaar mocht dan onder de indruk zijn, nog veel meer was dat het geval met aartshertogin Sophie. Al haar dromen zag zij ineenstorten. Verdwenen was het zeventig-millioenenrijk, Duitsland en Oostenrijk aan-eengeklonken, dat zij zich zo eerzuchtig had voorgesteld onder de opperleiding van haar zoon. Zelfs de innerlijke kracht van de kernstaat was bezweken, nu het Italiaanse element met Venetië geheel was afgevallen en men van het ontevreden en met moeite bedwongen Hongarije niet zeker kon zijn! Dat dit land zich de laatste tijd jegens Oostenrijk loyaler gedroeg, was enkel en uitsluitend te danken aan … de persoonlijkheid van Elisabeth. En aartshertogin Sophie ging haar schoondochter nu ook wel met enigszins andere ogen bezien. Ook al, omdat Elisabeth zo hard werkte en vrijwel haar hele dag in de ziekenhuizen doorbracht. In een briefje aan kroonprins Rudolf van 5 Juli 1866 schreef zij over Elisabeth als over een „goede engel”, die de keizer terzijde stond, altijd bij hem was en hem alleen verliet om de gewonden te bezoeken. Ook de critische landgravin Fürstenberg moest toegeven dat de keizerin voor alles zorgde, liefdevol en moederlijk. Ondanks de verzengende hitte van deze Julimaand wilde Elisabeth Wenen niet verlaten. De vijand maakte echter snelle vorderingen en het zag er naar uit, dat hij binnenkort voor de poorten van Wenen zou staan. Op 9 Juli werd in de ministerraad al besloten, dat de keizer en de hoogste regeringspersonen naar Boeda, de ene helft van Boedapest, zouden vertrekken. Elisabeth moest vooruitgaan onder voorwendsel, dat zij er de gewonden wilde bezoeken. Dit kwam praktisch neer op de vlucht van het hof, met een beroep op de ridderlijkheid van het Hongaarse volk. Eens handelde in een bijna even kritiek ogenblik Maria Theresia precies zo.Elisabeths liefde voor Hongarije bleek van groot voordeel te zijn en het is niet overdreven te zeggen, dat zonder haar populariteit de gehele Donaumonarchie in 1866 al ineengestort zou zijn, doordat Hongarije dan de zijde van Duitsland zou hebben gekozen. Met Ida Ferenczy kwam Elisabeth te Boedapest aan, werd stormachtig ontvangen en aan het station al opgewacht door Andrassy en Deak. Zij brachten haar naar het kasteel in Boeda en trachtten haar onderweg duidelijk te maken, dat er snel gehandeld moest worden. Immers alleen het inwilligen van de zo lang bepleite verlangens kon de uiterst linkse oppositie onder Kossuth de wind uit de zeilen nemen en de wankele troon redden. Elisabeth was het hier geheel mee eens.

Zij huurde een villa in de prachtige omgeving en ging op 12 Juli naar Wenen terug om de kinderen te halen. Nauwkeurig vertelde ze de keizer alles, wat ze in Boedapest had gezien en gehoord, en bepleitte vurig de benoeming van graaf Gyula Andrdssy tot minister van buitenlandse zaken. Hij alleen kon Hongarije nog voor de monarchie behouden. Maar Frans Jozef liet zich niet haasten. Hij had nu eenmaal de eigenschap langzaam te reageren en pas een besluit te nemen, wanneer hij de juistheid er van inzag. Eerst moest hij dus overleg plegen met zijn ministers. Ondanks Elisabeths smeekbeden kon hij haar geen andere raad geven dan met de kinderen naar Boeda te reizen en daar te trachten de mensen tot geduld te bewegen. Zelf ging Frans Jozef, die nog steeds hoopte op tussenkomst van Napoleon III, aan wie hij Venetië had afgestaan, niet mee. Hij had een heimelijke angst voor Elisabeths omgeving in Boeda, die hem wel eens te veel zou kunnen beïnvloeden. Op 13 Juli vertrokken Elisabeth en de kinderen, terwijl de kostbaarste juwelen uit de Weense schatkamer eveneens naar Boedapest werden overgebracht. De keizerin kon het niet langer aanzien, dat men in Wenen de zaken zo rekte en naar haar mening nog meer in de war stuurde. Omdat de keizer niet naar haar had willen luisteren, wendde zij zich nu tot de Hongaarse hofkanselier te Wenen en smeekte hem de keizer er toe te brengen haar raad op te volgen. De kanselier antwoordde per omgaande, dat ook de keizer doordrongen was van de noodzakelijkheid Hongarije afdoende te helpen, maar bang was voor de gevolgen, die hij nog niet kon overzien. Een eenzijdige oplossing, zoals in 1848 beproefd was, wenste hij niet en hij wilde zelfs de schijn vermijden, dat de nieuwe maatregelen te danken waren aan druk van buiten af. Elisabeth, die nu midden tussen Hongaren leefde, kon deze aarzelende houding niet begrijpen. Ten huize van haar opper-hofmeesteres had zij een onderhoud onder vier ogen met Andrassy en schreef daarna aan de keizer: „Vertrouw op hem, dan is de monarchie nog te redden – niet Hongarije alleen. Spreek zelf met hem en wel direct, want de toestand kan elke dag verergeren. Voor het laatst vraag ik je: omwille van Rudolf, benut deze kans . . . Andrássy zal al zijn invloed aanwenden om ons te helpen.” Ze verzocht Frans Jozef tenslotte haar direct te telegraferen, of Andrassy naar Wenen moest komen en kreeg spoedig een code-telegram: ,,Heb Deak in het geheim ontboden. Laat je dus niet te veel in met Andrassy.” Toch was de keizer zó getroffen door Elisabeths brieven, dat hij tenslotte ook Gyula Andrassy bij zich ontbood. Hij verzocht Elisabeth om haar bijzonder gebed, opdat God hem licht en wijsheid zou geven in deze tijd van moeilijke beslissingen, en verzekerde haar, dat hij Andrassy rustig zou laten uitpraten en dat hij daarna Deak die van zijn landgoed ontboden was, zou ontvangen. Op 17 Juli verscheen Andrassy bij de keizer, praatte anderhalf uur lang volkomen openhartig met hem en verzocht hem met Deak te spreken, alvorens beslissingen te nemen. De keizer antwoordde van zijn kant even eerlijk, dat dit ook zijn bedoeling was, en verzocht Andrassy tot zolang nog in Wenen te blijven. Aan Elisabeth schreef de keizer, dat hij nog altijd vreesde, dat Andrassy niet zou kunnen doorzetten wat hij beloofde, al vond hij hem een eerlijke en hoogst begaafde man. Dus zou Frans Jozef eerst nog met Deak spreken en dan met beiden samen, voordat hij tot iets zou besluiten. Dit was een van de vele dagelijkse brieven, die tot Frans Jozefs grote vreugde heen en weer gingen tussen Wenen en Boeda. Want zijn vrouw en kinderen waren nu, zoals hij zeide, zijn enige troost. Op 19 Juli verscheen Deak in de vroege ochtend bij de keizer. Over dit onderhoud was Frans Jozef later zeer voldaan. Hij zag Deak voor een rustiger en bezadigder leider aan dan Andrassy. Alleen betwijfelde hij, of Deak zou kunnen volhouden, wanneer de zaken tegenliepen. Daar de oude man Andrássy volstrekt niet ontmoeten wilde, vertrok hij weer in alle stilte en de keizer zette zijn besprekingen met Andrassy voort. Intussen vorderden de Pruisen meer en meer. Koning Wilhelm had op 18 Juli zijn hoofdkwartier in Nikolsburg gevestigd en van Wenen uit waren de Pruisische wachtvuren te zien. Frans Jozef hoopte op een gunstige wapenstilstand; hij was bezorgd over de gezondheid var Elisabeth en een wapenstilstand zou het hem misschien mogelijk maken naar Boeda te reizen en vrouw en kinderen weer te zien of liever nog in Ischl, waarheen zij dan zouden kunnen terugkeren. Inderdaad kwam er wapenstilstand en men ging over vredesvoorwaarden spreken. Gemakkelijk zouden deze voor Oostenrijk niet zijn en de Hongaarse kwestie zou weer moeten wachten, tot de rust zou zijn weergekeerd. Dat Elisabeth de huisarts van haar ouders naar Boeda liet komen, stelde de keizer gerust; deze dr Fischer kende immers haar gestel door en door. „Nu moet je op je verhaal zien te komen in de berglucht… In elk geval, of men het eist of niet, we treden uit Duitsland en ik beschouw dit, na de ondervindingen met onze dierbare Duitse bondgenoten opgedaan, als een geluk voor Oostenrijk,” schreef de keizer. Elisabeth was bezorgd voor de gezondheid van haar man en hij gaf toe zelf niet te begrijpen, hoe hij alle moeilijkheden zo rustig en zonder schade voor zijn gezondheid het hoofd kon bieden. Op 26 Juli werd de voorlopige vrede getekend. De hoofdstad was nu niet langer in gevaar en de keizer dacht terstond aan een weerzien met zijn vrouw, maar Elisabeth dacht aan Hongarije. Andrassy was de als het ware voor hem gevluchte Deak op diens buitengoed gaan bezoeken en had van hem toezegging van volledige medewerking gekregen. Helaas hadden zowel de keizer als de Oostenrijkse minister-president Belcredi grote bezwaren en hoewel Andrassy in alle rust met de keizer kon praten, durfde deze toch de grote stap nog niet aan. Nu was het ogenblik gekomen, waarop Elisabeth meende te kunnen ingrijpen.

Op 30 Juli reisde ze naar Wenen en dezelfde avond nog liet ze Andrassy weten, dat ze hem de volgende dag wilde ontvangen. ,,Als er iets bereikt wordt,” schreef Andrassy in zijn dagboek, „dan zal Hongarije dit, meer dan het wel vermoedt, te danken hebben aan de .schone voorzienigheid’, die over het land waakt.” Intussen pleitte Elisabeth tevergeefs bij de keizer, die bleef volhouden, dat Bohemen, het landsdeel, dat zo hevig van de oorlog te lijden had gehad, meer rechten op privilegies had dan Hongarije. Het einde was, dat zij bijna onenigheid kregen. De volgende dag toonde Elisabeth zich tegenover Andrassy dan ook pessimistisch. Zij had alleen bereikt, dat de keizer nog eens met hem praten wilde. Maar de vrede was in het vooruitzicht en in Wenen ging men steeds meer overhellen tot de mening, dat het met Hongarije wel niet zo erg zou zijn als Deak, Andrassy en de keizerin beweerden. Toch had men kunnen weten, dat Kossuth van Venetië uit probeerde een anti-Habsburgse beweging in Hongarije te ontketenen. Op 2 Augustus keerde Elisabeth naar haar kinderen in Boeda terug. Zij bleef steeds met de keizer in correspondentie, maar de toon van de brieven was soms wrang, omdat zij verontwaardigd was over zijn houding inzake Hongarije. Om op neutraal terrein te blijven schreef zij dan maar over haar lange tochten te paard. Een er van had haar in de omtrek van het slot Gödöllö gebracht, dat negenentwintig kilometer van Boedapest verwijderd lag. Daar was een hospitaal ingericht en Elisabeth vroeg aan de keizer, of zij er een kijkje mocht gaan nemen. Frans Jozef was al lang weer vertederd en gaf haar direct toestemming, maar waarschuwde haar, dat hij het slot niet zou kunnen kopen, omdat hij geen geld had. De familiebezittingen hadden in de oorlog zwaar geleden en het hofbudget was al sterk verminderd. Bijna de halve stal moest verkocht worden en men zou zich zeer moeten bekrimpen. . . ,,Dein trauriges Manneken” ondertekende hij. Getroffen door deze brief reisde Elisabeth naar Wenen, waar niet alleen haar schoonmoeder en de hofhouding, maar ook de leden der regering en minister-president Belcredi haar zeer koel ontvingen. De bevolking, voor wie zorgvuldig geheim werd gehouden, hoeveel moeite de keizerin zich gaf voor Hongarije, ging het haar bovendien langzamerhand kwalijk nemen, dat zij zo lang uit de Oostenrijkse hoofdstad wegbleef. Op aanraden van Andrassy sprak Elisabeth tijdens haar verblijf te Wenen helemaal niet over de Hongaarse kwestie. Toen zij weer vertrokken was, schreef de keizer haar: „Laat me niet zo lang alleen, mijn Sissi. Kom binnenkort weer bij me.”
Op 23 Augustus kwam de vrede van Praag tot stand. Frans Jozef kon nu eindelijk wat rust nemen en vertrok naar Ischl, waar zijn vrouw en kinderen zich weldra bij hem voegden. Terwijl de keizer veel verstrooiing zocht op de jacht, ging Elisabeth zich grondiger op het Hongaars toeleggen. Zij kreeg door toedoen van Ida Ferenczy een leraar, die er tamelijk moderne staatkundige begrippen op na hield. De keizerin was het hier geheel mee eens en ging zelfs zover te beweren, dat de republikeinse staatsvorm waarschijnlijk toch wel de beste was! Intussen worstelde Frans Jozef weer met het probleem, wie minister van buitenlandse zaken moest worden. Andrassy’s benoeming zou kwaad bloed zetten bij de Oostenrijkers. Maar een Oostenrijker zou weer niets voelen voor een overeenkomst met Hongarije, waarvoor de keizer langzaam maar zeker, vooral door de invloed van zijn vrouw, gewonnen werd. Zo kwam Frans Jozef op de gedachte de Saksische staatsman graaf von Beust, die na de rampzalige oorlog de dienst van zijn koning verlaten had, te benoemen. Ofschoon Andrassy en Elisabeth hier beiden niets voor voelden, zette de keizer toch door en Von Beust verraste hen aangenaam door de verklaring, dat het zijns inziens de eerste taak der regering was de zaak met Hongarije in orde te maken. Belcredi moest bakzeil halen.

Begin 1867 verscheen nogmaals een deputatie der beide Hongaarse kamers in Wenen; zij werd door keizer en keizerin afzonderlijk ontvangen. Elisabeth voelde zich nu gerustgesteld en reisde eind Januari naar Zürich, waar haar zuster, gravin Trani, een kindje had gekregen. De reis ging over München, want op 22 Januari was er bericht gekomen, dat haar zuster Sophie na vele vergeefse huwelijksaanzoeken verloofd was met koning Lodewijk II van Beieren. Deze lag juist verkouden te bed, toen Elisabeths komst gemeld werd, maar hij kwam toch aan
de trein, waardoor hij natuurlijk nog meer verkouden werd. Uit Zürich, waar het haar heel goed beviel, schreef de keizerin opgewekte, lange brieven aan de kinderen en vertelde, dat het kleine nichtje veel liever was dan de meeste kleine kinderen. Aan haar moeder bekende ze eerlijk: „Ik houd het meest van het kleintje, als ik het niet zie of hoor, want zoals u weet waardeer ik baby’s niet bijzonder…” En toch had zij zelf driemaal een kindje gehad!
Intussen helde Frans Jozef steeds meer tot de denkbeelden van Deak over. Dit voerde tot een breuk tussen Belcredi en Von Beust. De keizer koos de zijde van de laatste en benoemde hem tot minister-president. Diep gegriefd trok Belcredi zich uit het openbare leven terug. Nu stond niets meer de overeenkomst met Hongarije in de weg. Op 18 Februari werd in het Hongaarse parlement een eigenhandig schrijven van de keizer voorgelezen, waarin deze aan Hongarije zijn grondwet terugschonk en Andrassy tot minister-president benoemde. Ondanks het stoken van Kossuth bleek het overgrote deel van het volk aan de zijde van Deak en Andrássy te staan. Zonder bloedvergieten was de kwestie met Hongarije geregeld. Elisabeth had dit alles met grote belangstelling en voldoening gevolgd, en toen zij op 8 Februari in Wenen terugkeerde, was zij tegenover haar man hoogst dankbaar en vriendelijk gestemd. De Oostenrijkers wisten niets van Elisabeths rol in deze zaak, maar het hof des te beter. Al begon de invloed van de aartshertogin te tanen, toch had zij nog haar aanhang. De keizer had trouwens nog altijd het gevoel, dat deze oplossing hem afgedwongen was. Na de misgrepen van 1859 en 1866 vertrouwde hij echter minder op zijn eigen oordeel en begon in te zien, dat hij zich streng aan de grondwet moest houden en dat zijn ministers de verantwoordelijkheid voor hun doen en laten moesten dragen. Op alle gebieden begonnen de denkbeelden van de nieuwe tijd, de denkbeelden van de keizerin, door te dringen. De kroning, die in Juni te Boedapest zou plaatsvinden, zou onvermijdelijk een persoonlijke zegepraal voor Elisabeth worden. Doordat haar schoonzuster kwam te overlijden, kon de keizerin in Maart niet meegaan naar Boedapest, waar Frans Jozef enthousiast ontvangen werd.
Andrassy deelde hem mee, dat het Hongaarse volk uit dankbaarheid het jachtslot Gödöllö als zomerresidentie aan het koningspaar wilde aanbieden omdat Elisabeth zo hield van de ligging en de omgeving. Ook vernam de keizer, dat Elisabeth, in afwijking van het Hongaarse gebruik, niet enige dagen na hem, maar tegelijk met hem gekroond zou worden. Een bijzondere hulde aan de geliefde vorstin! In een brief aan Frans Jozef, waarin zij haar uitbundige vreugde over het nationale geschenk uitsprak, bekende Elisabeth heel nuchter, dat de kroningsplech-tigheid nu heel wat minder vermoeiend zou zijn. Ze leerde ijverig verder Hongaars en wist zich allerlei tot nu toe in hofkringen ongunstig beoordeelde boeken in handen te laten spelen. Zo leerde zij bijvoorbeeld de geschiedenis kennen van de strijd om de Hongaarse vrijheid, een boekje, dat de schrijver, bisschop Michael Horváth, de verbanning uit het land op de hals had gehaald. Op haar voorspraak werd hij begenadigd. Op 8 Mei vertrok het vorstenpaar naar Boedapest en werd er bij aankomst onder bloesems bedolven. Een dichterlijke tijdgenoot schreef: „Drie eeuwen lang hebben wij er met geloof naar gestreefd, daarna meermalen met de hoop in het hart. Er bleef nog dit ene over, dat het volk enig lid van het erfelijk Huis waarlijk van ganser harte lief zou kunnen krijgen. Nu wij dit hebben bereikt, koester ik geen vrees meer voor de toekomst.” Het was duidelijk, op wie hij doelde. Hoe meer de kroningsdag naderde, hoe meer het enthousiasme van de bevolking voor Elisabeth steeg. En volmondig kon zij „ja” antwoorden op de vraag van de kleine Rudolf, of er bij haar aankomst „een heel groot Eljén” was geweest. De 11e Mei bezocht men Gödöllö, waar de herstelwerkzaamheden in slot en park in volle gang waren. Elisabeth was verrukt over dit nieuwe bezit en vooral over het prachtige rijterrein. Toch had zij haar zorgen, vooral van politieke aard, en zij liet mgr Horvath bij zich komen om over een en ander te spreken. „Ik was toen nog geen lid van de dynastie,” zeide ze, sprekend over de gebeurtenissen van 1848-1849, „en veel werd in die tijd gedaan in de naam van mijn toen nog zeer jonge echtgenoot. Zelf betreurt hij die dingen nu het allermeest. Wanneer wij er de macht toe hadden, zouden wij de eersten zijn om de martelaren in het leven terug te roepen.” Zij las ook de open brief van Kossuth aan Deak, waarin de revolutionnair geen stuk heel liet van de gehele schikking, en ze was bang, dat hij op het laatste ogenblik nog een hindernis zou opwerpen. Maar ook mgr Horvath verzekerde haar, dat Kossuth zichzelf had overleefd en dat niemand meer naar hem luisterde. Daar Deak dreigbrieven ontvangen had van uiterst linkse zijde, werden er voor de kroningsdag echter toch zeer uitgebreide voorzorgsmaatregelen genomen.

De plechtigheden begonnen op 6 Juni. Hoewel zij de vervulling van Elisabeths liefste wens betekenden en zij zich gedragen wist door de liefde van een heel volk, zag zij toch erg op tegen de lange rij plechtigheden. Het was snikheet in Boedapest en de dagen voor en na de kroning waren gevuld met feestelijkheden. De kronings-plechtigheden zouden al om zeven uur ‘s morgens beginnen. Hoe verlangde Elisabeth naar het heerlijke Possi van haar kinderjaren! Volgens aloude traditie moest zij de mantel van Sint Stephanus, die bij de kroning om de schouders van Hongarije’s koningen werd gelegd, zelf verstellen, de kroningskousen stoppen en de veel te wijde kroon van binnen met een rand stof bekleden. Juist toen zij hiermee bezig was, ontving zij het treurige bericht, dat aartshertog Albrechts achttienjarige dochter overleden was. Het meisje had een verboden sigaret voor haar vader willen verbergen, stak daarbij haar dunne japonnetje in brand en stond in een oogwenk in lichterlaaie. Dit sterfgeval bracht weliswaar hofrouw met zich mee, maar de kroningsplechtigheid kon niet meer worden uitgesteld of afgelast. Op de avond van 7 Juni werd alles nog eens zorgvuldig „gerepeteerd” in de dekenale kerk van Boeda. Voordat Elisabeth slapen ging, vertoonde ze zich aan de keizer in het gewaad, dat zij de volgende dag zou dragen, een zilverbrocaten japon met lijfje van zwart fluweel, in navolging van de Hongaarse dracht. De japon, bezaaid met edelstenen en kunstig nagebootste seringen-bloesems, was een schepping van het toen reeds bestaande modehuis Worth in Parijs en had het naar verhouding geringe bedrag van vijfduizend frank gekost. Frans Jozef, vol bewondering voor haar schoonheid, drukte haar een kus op het voorhoofd.

De kroningsstoet, die de volgende dag in de vroegte uitreed, was sprookjesachtig. Nog nooit waren de magnaten van Hongarije in zo groten getale opgekomen; schilderachtig uitgedost omstuwden zij op schitterend opgetuigde raspaarden de toekomstige dragers van de Hongaarse koningskroon, waarbij zij tevens hun eigen waardigheid en machtspositie toonden. De keizer-koning zat te paard in Hongaarse maarschalksuniform. Elisabeth in haar galajapon, een kroon van diamanten op het hoofd, had plaats genomen in een door acht paarden getrokken open rijtuig. De lijfgarde was op schimmels gezeten en droeg om de schouders luipaardvel. Een haast middeleeuwse staatsie van koningschap en adel werd hier nog eens ten toon gespreid. Elisabeth dacht te modern om van dit alles niet de betrekkelijkheid te beseffen. Maar zij werd toch getroffen door de schittering van de stoet en door het aloude kroningsritueel, dat diep ontroerde. Toen de rijzige Andrassy, samen met de vorst-primaat der kerk van Hongarije, de kroon van Sint Stephanus op het hoofd van Frans Jozef drukte en hem diens mantel om de schouders hing, kreeg ook zij tranen in de ogen. En toen daarna volgens oud gebruik de Stephanus-kroon boven haar schouder gehouden werd en zij hiermede koningin van Hongarije werd, vergat Elisabeth alle vermoeidheid en afkeer van ceremonieel. Een huivering voer door haar heen, toen zij besefte, hoe groot dit ogenblik was, en de liefde zag, die uit aller ogen straalde. Ook háár hart zong het nu ingezette Te Deum mee. Bij het verlaten van de kerk werd het koningspaar door de duizenden, die buiten stonden, met een stormachtig „Eljén”! ontvangen. Hierna moest de keizerkoning zich te paard, omringd door rijksgroten en kerk-vorsten in vol ornaat, eveneens te paard, naar de koningsheuvel begeven, waar de eed afgelegd zou worden en de minister van financiën duizenden gouden en zilveren muntstukken onder het volk zou uitstrooien. Maar Elisabeth trok zich haastig terug, verwisselde haar zware sleepjapon tegen een zomertoilet van zachte tule en voer per stoomboot over de Donau naar het grote gebouw van het dagblad de „Pester Lloyd”, van waaruit zij de stoet en de plechtigheden kon gadeslaan. Vooral de mooie paarden hadden haar bewondering. Maar het kostte haar even moeite zich goed te houden, toen ze twee bisschoppen, die nog nooit van hun leven op een paard gezeten hadden, bij het dreunen van de kanonnen uit het zadel zag glijden. Overigens was ook de schimmel van Frans Jozef nogal onhandelbaar en het kostte de keizer moeite behoorlijk de heuvel op te galopperen, waar hij de eed moest afleggen.

De volgende dagen kwamen in gestage stroom de geschenken binnen; in geld (tot Hongarije’s blijde verrassing door het koninklijk paar direct bestemd voor de weduwen van en wezen der slachtoffers 1849) en in natura: bloemen en vruchten, gebak en hammen, vissen, lammetjes en kalveren en tenslotte een allerliefst, matbruin veulen voor de kroonprins, met de driekleur in manen en staart. De zes vermoeiende feestdagen verliepen zonder incidenten. Elisabeth was de beste afgezante en vrede-brengster, die men zich wensen kon. Deak werd aan haar voorgesteld en noemde haar „het zinnebeeld van genade en verzoening”. Zelfs de hofdames van aartshertogin Sophie waren vol bewondering. ,,De kroning is voorbij,” berichtte Therese Fürstenberg. „Hare Majesteit zag er bij de plechtigheid zelf werkelijk bovenaards schoon uit en zo ontroerd en devoot als een bruid. Het kwam me voor, dat ze zich ook in zeker opzicht zo beschouwde.” Een uitgebreide amnestie besloot het vorstelijk bezoek. Bijna alle emigranten kwamen terug, alleen Kossuth niet. Zijn krant vermeldde de kroning op de achterpagina; een spottende toespeling op de onwilligheid van Frans Jozefs schimmel ontbrak niet. Op 12 Juni vertrok het keizerlijk paar naar Ischl. Beiden hadden wat rust hard nodig en waren hier ook veiliger tegenover de uitingen van de Oostenrijkers, die met zeer gemengde gevoelens de gebeurtenissen te Boedapest hadden gevolgd. Hongarije mocht Elisabeth dan voor altijd in het hart hebben gesloten, Oostenrijk deed daaraan nu minder dan ooit mee.

Bron: Elisabeth De tragedie van een keizerin; Dr. Egon Caesar Graaf Corti

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *